|
|
Historische Vereniging "Oud-Wageningen"
DE ROMEINSE PLAATSEN
VADA EN GRINNES IN DE BETUWE
Door Anton C. Zeven, gepubliceerd in Oud-Wageningen
30(2002)3: p.45-47.
Vada
Het is mij onbekend in welk jaar de plaatsnaam Vada, die door de Romein
Tacitus in het vijfde boek van zijn werk Historiae
uit ca. 107 wordt genoemd, voor het eerst aan Wageningen is toegeschreven en
door wie dat is gedaan.
De oudste vermelding die ik ken van Vada in de betekenis van Wageningen, is
van 1635. Deze vermelding betreft de inschrijving van de uit Wageningen
afkomstige Fredericus à Stralen (Van der Grient,
1984) als lid van de 'studentenvereniging' te Leiden. Hij is dan afkomstig
van Geldrus Vadanus, dat Wageningen in Gelderland
betekent.
Twaalf soortgelijke inschrijvingen van Wageningse
studenten bij deze en studentenverenigingen in
andere steden over de periode 1643-1664 vermelden meestal Vada Gelrus. Maar soms wordt, in plaats van als Vada,
Wageningen vermeld als Wageningae (in 1639 voor Rodolphus ab
Ommeren, d.i. Roelof van Ommeren, ACZ), Wageningha
(in 1662 voor Theodorus de Ruyter, d.i. Dirk de Ruyter, ACZ) en Wageningâ (in
1667 voor Aemilius a Culemborg) (Schutte, 1975).
Op een stadszegel kom ik de afkorting vadens voor
het eerst in 1804 tegen. Op de wapensteen in de Bergpoort uit 1710 (afb. 1)
staat de spreuk Vires acquirit
eundo, en niet zoals vaak wordt gemeld Vires acquirit eundo Vadae (dat overgenomen is
van de vlag van het St. Antoniusgilde; Fuchs, 1963). Wel staat op de gevelsteen van het tweede
gebouw van de Latijnsche School uit 1724 Vadense. Later werd deze gevelsteen overgebracht naar het
derde gebouw van de Latijnse School op de hoek Herenstraat/'verlengde'
Molenstraat.
Johannes Isacius Pontanus
noemde Vada als oude benaming voor Wageningen in zijn Historiae
Gelriae libri XIV, dat in 1639 werd uitgegeven. Hij verwijst daarmee
naar het Vada, beschreven door de Romeinse schrijver Tacitus (ca 55-na 115).
Dit boek werd door Arend van Slichtenhorst in het
Nederlands vertaald, gecorrigeerd en aangevuld en als de XIV boeken (dat zijn
hoofdstukken) van de Geldersse Geschiedenissen, in
1654 gepubliceerd. Hij gebruikte de Nederlandse naam Wageningen.
Op een kaartje, getekend door Arnoldus Buchelius in
zijn Commentarius rerum quotidianarum, in que, staat
Vada voor Wageningen en Grines voor Rhenen (afb. 2). Aangezien dit
een ongepubliceerde reeks gegevens betreft, die door Buchelius
verzameld werden, is een datum niet te geven. Daar hij van 1565 tot 1645
leefde, moet dit kaartje van voor 1645 dateren. Uit het bovenstaande volgt
dat in elk geval in 1635 de naam Vada voor Wageningen al bestond.
Met Fuchs (1963) concludeerde ik vele jaren
geleden, dat Wageningen geen Romeinse oorsprong heeft, en dat Vada dus niet
op Wageningen slaat (ongepubliceerd, later Zeven, 2001). Hierbij moeten we
bedenken dat in de 17e eeuw en ook later elke zichzelf respecterende stad een
Romeins verleden meende te moeten hebben. Kennelijk gold (en geldt) dat ook
voor Wageningen (Zeven, 2001). Vandaar het kritiekloos
gebruik van Vada, Vadae, Vadense
en vadensis in de betekenis van Wageningen en Wagenings door Wageningse
instellingen.
Wageningen niet-Romeins
Argumenten tegen een Romeinse oorsprong van Wageningen zijn:
1. Tacitus (Historiae V 20,21, Moerman,
1956) vermeldt Vada als een sterkte op het eiland der Bataven, d.w.z. in de
Betuwe en niet op de Veluwezoom;
2. de linker- of Betuwse oever van de Rijn was de
versterkte noordgrens van het Romeinse rijk;
3. er zijn in Wageningen nooit restanten van Romeinse gebouwen gevonden;
4. er wordt beweerd, dat op de (Wageningse)
Berg een Romeins uitzichtpunt aangelegd was. Ook hiervoor geldt dat er geen
resten van gevonden zijn, en dat het uitzicht naar het zuiden, dus naar het
eigen gebied, en niet naar het noorden, naar het vijandelijk
gebied was. Wat was dan het nut van een dergelijk uitzichtpunt?
Vada = wad = doorwaadbare plaats
Tot zover had ik mijn verhaal klaar, totdat het door een artikel in de NRC in
een stroomversnelling kwam. In die krant van 19-1-2002 wordt een interview
met Nicoline van der Sijs gepubliceerd (Spiering, 2002). Zij bestudeert de
etymologie van woorden van de Nederlandse taal. Dit houdt in, dat zij een
verklaring wil geven over het ontstaan van een woord. Zij vermeldt dat het
oudste Nederlandse woord door Tacitus wordt vermeld als vada
en dat dit woord is afgeleid van het Nederlandse woord wad.
Gerritsen (2002), in een ingezonden brief, vermeldt dat wad
niet het oudste woord is, want in oudere geschriften vinden we de woorden
Bataaf (96 n. Chr.) en Belg (Caesar, ca 42 v. Chr.).
Mineur (2002) voegt nog toe, dat er staat 'apud Grinnes Vadamque, en vervolgt 'wat de plaatsnaam Vada oplevert'. Hij denkt hierbij aan Wadenoijen, dat wil zeggen: de ooien (laaggelegen
weidegebieden) bij Vada (denk ook aan het Ooij van
Nijmegen).
Overigens denkt Moerman (1956) bij de naam Wadenoijen
aan een wade of waai, een kolk of wiel, ontstaan bij een dijkdoorbraak.
Mineur (2002) verwijst verder naar een studie van Huebner-Fauth
(1982), waarin staat dat '... Grinnes vermoedelijk
op de zuidoever van de Waal bij het huidige kasteel Rossum,
en Vada zal daar vlakbij gelegen hebben'.
Een derde briefzender, Jurgens (2002) duidt op het verplaatsen van
rivierbeddingen. Hierdoor is het mogelijk, dat de voorloper van Wadenoijen op de linkeroever van de Linge lag.
Hoe dan ook, deze discussie geeft aan dat Vada in de Beneden-Betuwe lag en
dat enkele instellingen in Wageningen zich onterecht van deze naam meester
hebben gemaakt.
Grinnes
Hierbij wil ik ook iets zeggen over de ligging van Grinnes.
De plaats lag dus nabij Vada in de Neder-Betuwe. De
reden dat ik dat benadruk is dat in vroegere tijden de stad Rhenen zich ook een Romeinse naam eigen heeft gemaakt
(zie afb. 2).
Slot
De naam Vada zal wel nooit meer uit het Wageningse
verdwijnen. Daarvoor is het al te lang een ingeburgerd en kritiekloos
gebruikt woord. Maar men bedenke dat het dus een verkeerde naam is voor onze
stad, voor de verdwenen Latijnse school Gymnasium vadense,
voor de verdwenen drukkerij Vada, het vroegere huis Villa Vada, onze
sportvereniging Vada, Herbarium vadense, en andere
namen.
Bronnen
Fuchs, J.M., 1963.
Wageningen 700 jaar stad,1263-1963. Wageningen. 95p.
Gerritsen, J., 2002. Ingezonden brief Wad. NRC 2-2-2002.
Grient, J.H. van der, 1984. De Wageningse
van Stralen's. Veluwse
Geslachten 9: 112-117, 154-161.
Jurgens, S.M., 2002. Ingezonden brief Wad 3. NRC 9-2-2002.
Langereis, S., 2001. Geschiedenis als ambacht.
Oudheidkunde in de Gouden Eeuw: Arnoldus Buchelius
en Petrus Scriverius. Hollandse Studiën 37.
Hilversum. 368p.
Mineur, W.H., 2002. Ingezonden brief Wad 2. NRC
2-2-2002.
Moerman, H.J., 1956. Nederlandse plaatsnamen.
Leiden 297p.
Pontanus, J.I., 1639. Historiae Gelriae libri XIV. Harderwijk.
Schutte, O., 1975. De wapenboeken der Gelders-Overijsselse
studentenverenigingen. Gelderse Historische Reeks. Zutphen. 272p.
Slichtenhorst, A. van, 1654. XIV boeken van de Geldersse geschiedenissen. Arnhem.
Spiering, H., 2002. Van Wad tot Loverboy. Nicoline van der Sijs over het nut
van systematische etymologie. NRC 19-1-2002.
Zeven, A.C., Wie woonden waar in de binnenstad van Wageningen. Deel 1. De
stad Wageningen. Fotocopie. Wageningen. 207p.
|