VADA-VARIA 31e jaargang, no. 1, 2004

In dit nummer

Noorse lusten en lasten

 

Deel 1. De lusten. Over zeezeilen, aardappelen en hitte.

 

In de bijna 8 jaar dat ik mijn tweemaster Tilman bezit heeft ie wel schrammetjes opgelopen.

Natuurlijk. Mijn gebrekkige aanlegkunst. Maar niet alleen dat. Voor een boot zijn de krasjes, de kneuzinkjes in het hout, de scheurtjes, de doffe plekken en slijtage als het eelt van de werkman. Er gaat ook wel eens écht wat mis of bijna mis. Dat zijn de dingen die achteraf wel leuk zijn voor de stoere verhalen maar op het moment suprème meer doen verlangen naar een dubbele portie incontinentieluiers om nóg meer onheil te voorkomen.  Ook afgelopen jaar, naar Noorwegen, was er weer zoiets. Daarover meer in Deel 2.

 


Peter Burghouts


 

Een planning als afgelopen jaar heeft enig risico. Als ik in Wageningen vertrek zijn er drie vliegtickets geboekt: een van Amsterdam naar Bergen voor mijn vrouw die over 2 weken daarheen vliegt en twee van Bergen naar Amsterdam voor mijn twee bemanningsleden van de heenreis. Zaak dus om in die twee weken wel van Wageningen naar de omgeving van Bergen in Noorwegen te zeilen. Dat lukt. De heenreis begint met ‘n valse start maar verloopt daarna voorspoedig. Want een kwartier na vertrek, nog vóór het gat van Opheusden, kondigen stinkende grijze rookwolken uit de motorkist onheil aan. Ja hoor, koelwaterkraan nog dicht. Motor meteen uit maar op dat moment weet ik mijn diesel te hebben opgeblazen. Het siert een schipper als hij op de goede momenten besluitvaardig is. Ik deel mijn bemanning dit sombere nieuws dus meteen mee. Daar gáát hun hoop om komende nacht voor het eerst zelf op zee te zeilen. Hoe vertellen zij hun moeder, vrienden en vriendinnen dat ze op hun eerste zeezeilreis op de Rijn bij Opheusden gestrand zijn? Na anderhalve kilometer. Bij windkracht 1 Bft, zonder de nabijheid van enge schepen, verraderlijke stromingen of ander onheil. Tja. En die vliegtickets...

Onder genua en het kleine beetje wind dat er is, teruggedreven tot in de haven. Mijn vrienden daar bevestigen mijn vrees. Maar soms vergis ik me. Mijn vrienden ook. Gelukkig maar. Soms zit het mee. Het kunststof pijpje van het waterlock dat net vóórdat de motor inderdaad zou gaan verbranden  zelf in rook opging, voorkwam erger. Mijn stommiteit kost me naast de vertraging € 8, wat vriendschappen, een Alzheimer-is-er-bij-mij-al-vroegervaring

en tweeëneenhalf uur droge mond. Maar het levert ook wat op: opfrissing van kennis van de dieselcursus van Joop, waardering voor plaatselijk schatkistbewaarder Y. F. die me op het juiste moment de goede dingen zei en ook voor Kniest Watersport die niet alleen het onderdeel maar ook de juiste adviezen “uit voorraad” leverde.

 

Zes uur na de eerste keer opnieuw vertrokken. In Rotterdam een vriendelijke brugwachter die om half een in de nacht de Koninginnebrug en de Zwaan voor ons draait zonder dat we hoegenaamd gas hoeven terugnemen. Via Europoort naar zee, diesel uit, prima zeilomstandigheden daar en 36 uur na vertrek uit Wageningen Vlieland aangelopen wegens een te onstuimige weersverwachting. Daar ‘n dag of anderhalf om wind en zee wat te laten bedaren, te wandelen, douchen, eten, praten, luieren en te constateren dat de voorraden voldoende zijn voor een rondje IJsland. Een half jaar later zal, zoals ik in de vorige aflevering van dit blad schreef, een dak- en thuisloze, er na het kraken van Tilman nog van genieten.

Leuk ook om mijn kersverse bemanningsleden in wat rust beter te leren kennen; ’n nog studerende en een net drie dagen eerder gediplomeerde en nog amper van zijn kater bekomen HBO-er. De twee kennen elkáár goed maar zijn nieuw voor mij. De zee was dat voor hun. En hoe? Op de 20 uur tussen Europoort (Maasmond) en Vlieland heeft de een regelmatig en de ander eenmaal kort gekotst. Ze beweren beiden niet van mij maar van de zeegang. Even chequen daar in Vlieland; ze zijn immers goed opgevoed. Vervolgens zeilen we in vijf dagen naar de fjorden oostelijk van Stavanger. Alleen onderbroken door 16 uur ‘zeedieselen’ wegens windstilte en een stopje van drie uur in het Deense Thyborøn voor ’n douche, wat diesel, drie verse “zalmcarbonaden” en evenzoveel steelse blikken op wat Deense schonen die op het terrasje bij het visrestaurant gezien zitten te worden. Leuk om sommige dingen nog met zulke jongens te kunnen delen. Ook al kijken zij net dat jaartje terug op de 20 die ik nog te gaan heb naar de 60.

 

Dan spectaculair zeilen onder de Noorse zuidwestkust met mooi weer maar tot 7 Beaufort aanwakkerende wind. Gelukkig ruimer dan halve wind. Want anders dan op binnenwater of het IJsselmeer kun je door de zeegang bij 7 Bft tegenwind het hoogte winnen door tegen de wind in op te kruisen vaak wel vergeten. Zeker met een 60- er jaren boot als de mijne. Op de foto die ik daar nam zie je wel waarom. Daar moet je niet tegenin gaan zeilen. Meestal vlakken foto’s de gevoelde werkelijkheid wat af. Nu niet. Het was spektakel. Aardig plaatje voor die stoere zeilcollega’s met woeste verhalen over het 2e rif dat ze pas steken bij 9. Hier was het echt niet meer dan 7. Ik hoop zo’n volle 9 of 10 op open zee met mijn bootje nooit mee te maken. Niet voor held in de wieg gelegd. Te weinig pampers aan boord.

 

Een prachtige reis verder door het fjordengebied naar Bergen in schitterend en steeds warmer wordend weer. We liggen zo ongeveer onder de landingsbaan zuidelijk van Bergen als de jongens terug vliegen naar Amsterdam en Leida ietwat beteuterd met alleen haar handtasje arriveert. Haar koffer wordt ’n halve dag later met het volgende vliegtuig uit Amsterdam overgevlogen en per luxe Taxi-Mercedes bij H.M. Tilman afgeleverd.

Met Leida naar Bergen gevaren. Een drukke en verrassend internationale stad waar we in het mooie, oude en toeristische centrum naast een groot Engels zeilschip aan de kade kunnen. Het oude centrum van Bergen leert ons naast allerlei andere dingen hoe degelijk huizenbouw in hout kan zijn. Áls er tenminste geen stadsbrand uitbreekt.

De laatste grote moet eeuwen geleden zijn, de ouderdom van wat er staat inschattend.

 

De Engelsen naast ons zijn heel Engels en dus uiterst gezellig. Vier wat oudere welgestelde mannen met onderkoelde humor en spreekwoordelijke gastvrijheid op een kapitale Hallberg Rassy van een meter of veertien. “Ceres” heet de boot. Hmm. Rivaliteitskriebels van ’n jaar of veertig geleden. Ik was niet van die club.

 

Eerst een praatje over de reling  met Ben. Zij komen uit midden Engeland. Wij uit Wageningen, een klein stadje aan de Rijn dat zij niet zullen kennen. Hooguit bekend bij mensen die wat met landbouw hebben; er is een  Landbouwuniversiteit zeg ik terloops. Ben roept naar binnen iets als: “Robert: Wageningen, ever heard of?” De toegesproken booteigenaar steekt zijn getekende karaktervolle kop met plooien en borstelige wenkbrauwen

naar buiten, kijkt omhoog, knikt en zegt nadenkend: “Wageningen. Of course. I was there a couple of times and once.., eh.. one month or six weeks. I’m sorry, I forgot ..” Natuurlijk kent hij Wageningen. Hij was er voor de aardappel. Met een triomfantelijk gezicht spreekt hij het woord “Bintje” langzaam, met nadruk, een lachje en ontblote tanden uit.

 

 

De wereld is klein. Het waarom van de bootnaam “Ceres”, de godin van de oogst, is me nu ook duidelijk. Die avond, als we de crème de la crème van de Britse Agribussiness in gepast kristal - uiteraard zonder ijs – proeven, is het heel knus. Nee, over hun smaak  valt niet te klagen; prominent in hun boordbibliotheek staat het zeiloeuvre van Tilman, mijn held. In mijn boot staat naast dezelfde band ook nog een band met zijn klimboeken en de twee biografieën.

 

Einde deel 1. Wordt vervolgd.

Peter Burghouts.