Vada Varia, nr. 1 2005

 

 

Henk vertelt

Deel 3

 

Henk de Jager, een prominent havenlid, is niet alleen bekend door zijn activiteiten voor VADA. Hij is ook een boeiend verteller. Met een bewogen vaarverleden. Over het beroep van sleepbootkapitein. En over zijn vader en opa die dat ook waren.

 


Henk de Jager / Peter Burghouts


 

Aflevering 3: Een berging op het IJsselmeer.

 

Ik werkte eerst bij mijn vader op de boot. Hij had een eigen stoomsleepboot. We hadden een schip naar Zwolle gebracht. Maar daar was geen retourvracht. September ’54 geloof ik. Toen besloten we terug te gaan naar Amsterdam. Wij dus de IJssel weer af. In Kampen meerden we aan omdat de havenmeester naar ons stond te zwaaien. Die had van een visserman doorgekregen dat er een schip aan de grond gelopen was op ‘het Abbert’. Dat is een droogte tussen Elburg en ‘de Ketel’ (de uitmonding van de IJssel in het IJsselmeer, nu de oostkant van het huidige Ketelmeer). Nu, na de drooglegging, ligt ‘het Abbert’ in Oostelijk Flevoland.

 

En ‘t was toen allemaal heel anders dan tegenwoordig. We wisten niet wie of wat, of er een verzekering was… Je kon ook niet bellen of zo. Maar wij wel erop af natuurlijk.

Toen we aan het eind van ‘de Ketel’ waren lag daar toevallig ook mijn oom met zijn sleepboot voor anker. Die kwam van Duitsland met stenen voor een van die dijken rond Flevoland en lag te wachten op beter weer. Hij durfde niet mee. Zijn vrouw was aan boord en hij was ook altijd voorzichtiger in dit soort dingen; ja, … wat minder zeewaardig dan m’n vader. We leenden wel extra ‘draden’ (= staalkabels voor het slepen) van ‘m. Zijn stuurman ging mee. Die had wel zin in een avontuurtje.

 

Affijn. Wij er naar toe. Het was rauw. Noordwest zes à zeven. En dat aan lagerwal. Je moet je voorstellen dat het in ‘de Ketel’ en buiten op het IJsselmeer toen nogal onoverzichtelijk was. Er lagen veel zandzuigers en baggermolens omdat ze net begonnen waren met de dijken van Oostelijk Flevoland. Maar het ging goed. We waren om ’n uur of vijf in de middag bij het schip dat aan de grond zat. Een motorschip van, ik denk, 700 ton, geladen met zo’n 600 ton anthraciet[i]. Hij had een navigatiefout gemaakt. Hij was aan boord met zijn vrouw. Alle twee behoorlijk overstuur.

 

We moesten ontzettend uitkijken zelf ook niet aan de grond te lopen. Dus de ballasttanks achter vol[ii] en met de slaggaard[iii] steeds peilend hoe diep het was. We gingen zo dicht mogelijk, ‘n meter of 60 boven ‘m voor anker. En toen kwam het; met een werksloep met alle draden erin moesten we er dan naar toe roeien om de sleepverbinding tot stand te brengen. Nou, dat was wat hoor. In 6 à 7 Beaufort. Maar het lukte. We kregen verbinding en zijn gaan trekken. Maar niet los hoor. De hele avond en nacht zijn we bezig geweest. Maar niks. ’N ramp voor die schipper. Maar voor ons ook vervelend. Want we waren er op de bonnefooi naar toe gegaan. Zonder de verzekering in te schakelen.

 

Die ochtend, om ’n uur of tien, overlegden we met de schipper. Eerst wilde hij met ons en zijn vrouw van boord en mee naar Kampen. Daar heeft m’n vader ‘m van af gepraat. Want een onbemand schip is een droom voor iedere berger. Die kan een bergersloon vragen van de helft van de waarde van schip + lading. Zijn vrouw is wel met ons mee naar de wal gegaan. Maar we hebben de schipper moeten beloven dat we zouden terugkomen. Wij dus naar Kampen om de verzekering van de gestrande boot te bellen. Maar niks op papier gezet natuurlijk met die schipper. In Kampen opgebeld naar de verzekering. Of ze betaalden als we het schip zouden bergen. Maar die verzekeringsjongens hoorden het verhaal aan en dachten dat ie toch niet los te trekken was als wij het al zo lang geprobeerd hadden. En ze wisten dat wij toch geen poot hadden om op te staan. Er stond niks op papier. Nee. Ze hadden ons niet nodig. Ze zouden, als het weer beter werd, wel een ander schip sturen en de lading overslaan. “Dan komt ie vanzelf omhoog meneer. Verder bedankt hoor, voor alles wat u deed.”

 

Voor nop gewerkt dus. Wij toch terug naar het schip; dat hadden we beloofd. We pikten de draad op die we aan een boeitje hadden gelegd en maakten weer een sleepverbinding. Maar we waren zo vermoeid na een dag en een nacht zonder rust dat we voor anker gingen om eerst om beurten te slapen. Die nacht kromp de wind. Werd zuidwest. En trok aan. Tot uiteindelijk een zware storm. Zuidwest 9 tot 10. Verschrikkelijk. We lagen zwaar te slingeren, voelden zelfs af en toe de grond. En toen kwam ineens de draad strak te staan. Niet te geloven. Het schip dreef, het was losgekomen. Door de zuidwesterstorm was de waterstand hier, aan de oostkant van het IJsselmeer zo verhoogd dat de boot weer dreef. We stookten het vuur op, lichtten het ankerop en gingen trekken. Eerst recht tegen de wind in. Het lukte. Maar ja. Het was een motorschip. Van die kleine roertjes dus. Hij lag te slingeren en te gieren achter ons. En na een kilometer of vijf, zes gingen we door onze draad heen. Het leek hopeloos in dit noodweer. We waren toen nog maar met z’n drieën; de machinist, m’n vader en ik. De stuurman van m’n oom was er niet meer bij. Dus de einden draad naar binnen en opnieuw geprobeerd verbinding te maken. In dat vreselijke weer. We kregen het toch voor mekaar om met een Keesje[iv] een nieuwe draad over te brengen. Maar het was op het randje. Het schip kwam dwars op de golven. Er kwam veel water over. En de zware katoenen kleden die over de luiken gespalkt waren om het water uit de ruimen te houden begonnen te scheuren. Want  door de zware golven die oversloegen krompen ze en scheurden op de randen.

 

 

En toen weer slepen. Nu de Ketel in draaiend en dus met wind mee. Een verschrikkelijk moeilijke klus om daar met dat schip achter ons tussen al die baggermolens door, in het donker, te manoeuvreren met dat zwaar gierende schip achter ons. Maar we kregen het voor mekaar. In de nacht voeren we in triomf langs mijn oom die daar nog steeds lag en brachten het schip met de complete lading naar Kampen.

 

De betaling, door de verzekering van die boot, is een eindeloze toestand geworden. Ze hadden veel aan ons verdiend omdat we het schip uiteindelijk los gekregen hebben en mét de lading binnengebracht. Maar eigenlijk was er meer. We hebben ‘m gered. Want in dié storm was het zonder ons gegarandeerd mis gegaan omdat ie dan na het loskomen door het hogere water natuurlijk verderop zou zijn gestrand en misschien kapot geslagen. Maar ja, dat viel niet te bewijzen. Wij hadden niks op papier en die schipper werkte ook niet mee. Nee, niet erg collegiaal. Hij wilde geen verklaring tekenen dat hij ons gevraagd had om terug te komen. En wat die verzekering eerst zei, dat een ander schip de lading zou overnemen, daar was nog niks voor geregeld.

 

Nee. Er was wel een verklaring van een boot van de visserij-inspectie uit Urk die langs ons waren gevaren toen wij de eerste keer lagen te trekken. Na de storm, toen ze er weer waren, waren ze er van uit gegaan dat ie gezonken was. Zonder verbaasd te zijn gezien het weer. Er was ook een officieel weerrapport met de melding van 9 tot 10 Beaufort. Maar dat werkte niet echt. Er is wel een schikking gekomen hoor. Waar we nog behoorlijk aan verdienden. Maar we hadden op meer gehoopt. Want in vergelijkbare situaties werd, als er een schriftelijke verklaring van de schipper was, veel meer betaald door de verzekering. Later zijn we benaderd door een grote berger uit Dord die ons voor een eventueel volgende keer goeie adviezen gaf. Voor ons was het jammer dat de schipper van de gestrande boot geen ruggegraat had en door de druk van zijn eigen verzekering niet op papier wilde zetten dat hij onze hulp wilde en gevraagd had terug te komen.

 

- Wordt vervolgd -

 

 

 



1 Een kwalitatief vrij goede soort kolen (steenkool). Veel gebruikt in  kolenkachels voor huisverwarming. Tot in de zestiger jaren in Nederland de gaskachels de overhand kregen.

[ii]  Bij een stoomsleepboot die een zware ketel, stookeenheid en kolenvoorraad aan boord had, gebruikte men balasttanks om de sleper in goede balans te krijgen. In dit geval liet men de achterste balasttanks vol lopen zodat de schroef goed in het water kwam

[iii] Een lange houten paal met in verschillende kleuren geschilderde ringen van 25 centimeter waarmee men de diepte peilde. Door ‘m gewoon in het water te steken tot op de bodem en af te lezen.

[iv] Een dunne soepele werplijn met een verzwaard stuk (bolletje?) vóórin die van het ene schip naar het andere (of naar de kade) gegooid wordt en dient om een zware lijn of kabel mee te kunnen over trekken.