Vada Varia, nr. 1 2005

 

 

Opening Kano-seizoen 2005

 

Het moge langzamerhand bekend worden verondersteld, dat kayakkers nooit seizoenen sluiten maar uitsluitend seizoenen openen. Dat is nu eenmaal een traditie. Er mag wat mij betreft best gediscussieerd worden over de wenselijkheid van tradities in het algemeen, als er inhoudelijk maar niet aan dit onderdeel van onze wezenlijke clubcultuur wordt getornd.

 


Hans, Heiko, Popko, Martès, Toon


 

Het moge langzamerhand bekend worden verondersteld, dat kayakkers nooit seizoenen sluiten maar uitsluitend seizoenen openen. Dat is nu eenmaal een traditie. Er mag wat mij betreft best gediscussieerd worden over de wenselijkheid van tradities in het algemeen, als er inhoudelijk maar niet aan dit onderdeel van onze wezenlijke clubcultuur wordt getornd.

Zaterdag 8 januari was het weer RAAK. Terwijl er een enorm potentieel roeiers aan de grote stamtafel zat te converseren over de buiten woedende storm en de in het roei-regelement vastgelegde onmogelijkheid om bij dit beestenweer te roeien zat aan de kleine stamtafel een selectief groepje kayakkers de vaarmogelijkheden van die dag creatief te onderzoeken, ondersteund door verse koffie van ons zeer meelevend kanolid Ans.

 

Alles kwam ter tafel: de windkracht, de voorspellingen, de toerkalender, de koffie, de verantwoordelijkheid, de waaghalzerij, de verzekering, de moed, het thuisfront, etc. etc.

Maar het schoot desondanks even niet op. Eén verstandige stelling werd duidelijk: niemand wilde de verantwoording dragen om de trailer te trekken. Er was een waarschuwing voor het verkeer uitgegaan: mensen moesten hun aanhangers liever thuislaten wegens mogelijke rukwinden.

Nu word ik niet gauw écht opgewonden (of het moet wel een vréselijk mooie verschijning zijn), maar als ik het woord rukwinden hoor stuitert de adrenaline van onder naar boven door mijn donder. Ik moet dan uitkijken of het barst ter hoogte van mijn kruin uit mijn schedel om vervolgens mijn hele omgeving te bevloeien. Dan beweeg ik met intens genoegen hemel en aarde om te kunnen varen, het grote avontuur van Opheusden naar VADA tijdens de vliegende storm (Beaufort 12) van november 2003 -waarvan nooit spijt gehad- indachtig.

 

De koortsachtig vergaderende kayakkers prikkelde ik derhalve bewust tot aan de irritatie toe, tot het uiterste dus om ze maar niet te laten verzinken in gelatenheid, besluiteloosheid, lafheid, laksheid, pantoffelheldgedrag etc. Kortom: de lont in het kruitvat. De explosie bleef niet lang uit. De gistende oplossing spoot als champagne uit de fles: de kayaks konden op de autodaken en we konden zodoende tóch op weg naar Abcoude om aldaar de voor die dag geplande rondvaart te maken. Een even simpele als doeltreffende oplossing. JOEGHEI, JOEGHEI! (gedateerde vreugdekreet).

 

Een goed uur later stonden we hangend tegen de wind in aan de oever van de Holendrecht behoedzaam de boten af te laden en ons om te kleden. Elke schoen, broek, peddel of jack, slechts één enkele seconde onbeheerd gelaten, was een onherroepelijke prooi van de opruimerige kracht van de onstuimige luchtverplaatsing en even later waren we ploeterend op weg naar het Abcoudermeer waar de eerste onzer geheel tegen zijn zin, al zijn inspanningen om zulks te voorkomen ten spijt, aan lager wal in het riet werd gezet. Verderop, waar het water afboog pal tegen de oerkracht van het bulderend geweld in werd onze snelheid (nou ja, zeg maar voortgang) vrijwel geheel tenietgedaan door de zo-even door mij nog zo bejubelde rukwinden. Hier werden wij ons optimaal bewust van

 

‘Zen in de kunst van de voorwaartse peddelslag’.

 

Onze anders zo soepele, desnoods dagenlang achtereen volgehouden routine in onze onvolprezen techniek werd hier genadeloos afgestraft en gedegradeerd tot een schokkerig, stram, van alle ritme ontdaan hulpeloos schrapen en ploegen ten overstaan van de schamper lachende elementen die hun zwiepende zweepslagen als gesels van wind en water over onze schijnbaar armetierige fysiek uitstortten alsof wij voor onze hoogmoed gestraft moesten worden.

Dik anderhalf uur later bereikten wij niettemin de splitsing met de Waver, alwaar wij de geteisterde koppen bij elkaar staken voor deemoedig overleg. Het was wel duidelijk, dat we ons oorspronkelijke plan (rondje Holendrecht-Amsteldrechtkanaal-Oude Waver-Abcoude-22 km) rustig konden vergeten tenzij wij de rest van de dag en een flink deel van de volgende wensten door te varen op straffe van uitputtende honger, een slapeloze nacht, bittere koude, pijnlijke blessures en niet te vergeten een zware crisis met het thuisfront. (Ik weet niet wat het ergste is).

 

Als gebeten honden besloten wij ons rondje met 2/3e in te korten via de Waver en Stokkerlaarsbrug. Zoveel mogelijk beschut varend achter dunne, dorre riethalmen, voor zover je van beschut kunt spreken in dit plaatvlakke, oer-Hollandse landschap, ploeterden wij verder met toenemend respect voor autoriteit en overmacht van natuurlijke herkomst. Een pauze was welkom. Aanvulling van energie en vocht broodnodig. Het fornuis van Hans werd opgestookt, het beslag sliertte achter de hand in de pan. Maar hoe beschut we dit 2000 watt kerosinefornuis ook opstelden, de wind voerde de gegenereerde hitte zó snel af, dat we niet van de gebruikelijke gaarheid en geurigheid van de traditioneel peddelblad-geserveerde multigranenpannekoeken konden genieten. We beperkten ons dus maar tot verpakte kaasblokjes, geplette boterhammen, droge koeken, knikkerharde chocola en gethermoskande koffie, in de rug gedekt door een op zijn kant vast gesjorde kayak. Langsrijdende auto’s toonden uiterst verbaasde gezichten, maar wij genoten en koelden onderwijl ongewild snel af.

 

Terug in de boten dus voor het welverdiende godenrak. (Zie voorgaande kayakverhalen). Met gepast plezier vóór de wind afzwaaien en al surfend en rustend glorieus terugsnellen naar Abcoude in een fractie van de tijd die nodig was voor het eerste deel van de barre tocht.

Aan een laatste straf ontkwamen wij echter niet: op een stukje vaart, wat dwarser in de wind, werden wij overvallen door een loodgrijze, zware bui. Wind wakkerde daar, wroetend onder die dikke wolkenlaag door, nog eens extra door aan en het acuut dalende kwik zorgde voor een kletterende hagelbui die ons en onze boten afranselde als betrof het gritstralen van een ernstig door tijd en walmend roet besmeurde gevel.

 

Ik trok mijn pseudp ‘Paul Weller’ ijsmuts geheel over mijn pijnlijk getroffen gezicht en wachtte, me vasthoudend aan een miezerig verlept graspolletje, af tot ook deze kelk aan ons voorbij ging. We hadden doorstaan. Triomfantelijk -maar vooral opgelucht- vervolgden we onze weg door het pittoreske, maar door de omstandigheden vrijwel ontvolkte stadje, tot de auto’s weer in zicht kwamen.

Zo snel als we konden -om onderkoeling te voorkomen-, met de blote kont in de wind omkleden en met inmiddels gevoelloze vingers proberen de veters van de bergschoenen dicht te rijgen. Dan op een draf naar de kroeg voor dikverdiende hete chocolademelk met slagroom. Elkaar aanstaren om de ontstane verbroedering en grijnzend de genoegdoening te constateren en te inhaleren. Dikke pret!

 

Wij hadden medegemaakt. De storm en het kayak-varen van 8 januari 2005.

Fantastisch!