|
|
Vada Varia, nr. 1 2008
|
|
|
Drie
maanden wegwezen! Reisverslag 2002: Ketelhaven-NW.
Spanje
(Het onderstaande verslag is eerder gepubliceerd in
Scherp Gesneden van de VKSJ (Vereniging klassieke scherpe jachten)) Drie maanden vakantie, we hebben er lang naar
toegewerkt. Werkgevers enthousiast maken, overwerken, oppas voor het huis en
de planten regelen, administratieve zaken op orde brengen en dan gaan! In een tijd van ATV en veel
vakantiedagen is drie maanden verlof toch nog een luxe. Familie en vrienden
leven mee. Wekenlang afscheid nemen en lekker eten. Daarom alleen al is het
de moeite waard om er eens wat langer tussenuit te gaan. Marjan Fortuin en Jaap Booij
Al om zes
uur zijn we klaar wakker en vertrekken meteen maar uit Ketelhaven, onze
thuishaven. We hebben van iedereen al afscheid genomen. Geen uitzwaaiers op dit uur. Zelfs de havenmeester is nog niet
te bekennen. Vanaf nu zijn we drie maanden aan elkaar overgeleverd op de
Willem Hendrik. Een
stevige zuidelijke wind blaast ons in recordtijd naar Lelystad. We rekenen
ons rijk en zien onszelf over een week al La Coruña
in NW-Spanje binnen varen. Maar na de sluis draait
de wind naar het zuidwesten en trekt verder aan tot 7 bft.
Dikke buien drijven over ons heen. Edam lijkt ons
een goede haven na deze zware eerste dag. De volgende morgen is het niet
beter gesteld met het weer. Een unieke gelegenheid om de kaasmarkt te
bezoeken. Hier zien we hoe in vroegere dagen de per boot en op karren
aangevoerde Edammer kaas door kaasdragers naar de Waag werd gebracht om daar
te worden verhandeld. De in Edammer klederdracht gestoken volwassenen en
kinderen spelen het spel en nemen ons mee naar het begin van de vorige eeuw.
Wij zijn op slag onthaast en klaar voor de oversteek naar Engeland. Op 5 juli
vertrekken we uit IJmuiden met een mooie 4, maar jammergenoeg
wel weer uit de zuidwesthoek. We hebben dit jaar nog niet veel tijd op het
water doorgebracht en voelen ons nog niet echt ingezeild. Een prima windje
dus om te wennen. We
beginnen meteen met wachtlopen. Net als op vorige reizen lossen we elkaar om de
vier uur af. Voor ons een prettig ritme. De wachten
duren niet te lang, terwijl je in vier uur aardig kunt slapen en uitrusten. Veel tijd
om rustig in te slingeren wordt ons niet gegund. ’s Middags is het afgelopen
met de rust. Een dikke 6 met weer vlagen 7 blaast ons westwaarts richting Lowestoft. We zetten een tweede rif. Marjan
gooit haar kopje kerriesoep overboord, dat hebben we nog niet eerder
meegemaakt! Bijna aan de overkant draait de wind meer west en kunnen
we onze koers naar het zuiden verleggen. Het blijft ruig weer. Vlak onder
de kliffen ten noorden van Ramsgate komen we in
rustiger water. Bij het invaren van de haven worden we verwelkomd met
kanonslagen. We schrikken ons rot. Zitten we midden in een wedstrijd of doen
we iets verkeerd? Mogen we de haven niet in? Nee, het is een oefening van de Coast Guard. Met al het varend materieel scheuren ze langs ons de haven uit. Laat
ze maar gaan...wij zijn blij om even aan te kunnen leggen. De marina van Ramsgate
is geheel vernieuwd maar de Royal Temple Yacht Club is nog zoals altijd. Met een pilsje laten wij
ons in de leren clubfauteuils zakken naast de prijzenkast vol prachtig
zilverwerk en we besluiten
hier maar een dagje te blijven om te lezen en het dagboek bij te werken. In de zon
doet de oostkust van Engeland niet onder voor de kust van de Middellandse
Zee. Vanuit The Sovereign Harbor
bij Eastbourne maken we een stevige wandeling langs
de hoge kust met prachtige sub-tropische
plantengroei richting Beachy Head.
We willen die kaap wel eens van bovenaf in plaats vanaf zee bewonderen. Eastbourne is een deftige badplaats met hotels als The Grant. Geen slechte plek om te logeren. Wie weet? Terug
bij de haven is het laag water. Een prachtig
wadachtig landschap met kiezelstrand strekt zich voor ons uit. De tonnen aan
de rand van de geul naar de sluis liggen bijna droog. We maken foto’s van de
plek waar ik de volgende morgen de Willem Hendrik vakkundig de modder in zal
sturen! Gelukkig worden we door de Frederick Rose,
een visser, weer vlot getrokken. Zonder
hem hadden we een dag in de blub
kunnen liggen. Wat zijn ze toch aardig, die Engelse vissermannen. De dag kan
bijna niet meer stuk. Voor de variatie is er nu bijna geen
wind en moeten we vanaf de boeien Boulder en Street
de motor aanzetten. Stikdonker is het op de Solent.
En koud! Voor de haven van Cowes leggen we aan aan een mooring en gaan even
slapen totdat we de stroom mee kunnen pakken. Vlak na
de start van de Ronde van Cowes gaan ook wij
richting Needles. Met een mooi windje en de stroom
mee halen we zelfs verschillende wedstrijdschepen in. Maar bij de Needles gaat het er weer vol tegenaan. Gezien
de eeuwige zuidwestelijke richting van de wind laten we Porthmouth
voor wat het is en buigen wij af naar het zuiden. Eindelijk eens
lekker zeilen bij een wat ruimere koers. Ook kan de hengel weer uitgeworpen
worden. Net als de wind nog verder aantrekt heeft Jaap beet maar mag van Marjan even niet op zijn hengel letten. Het stellen van
de zeilen gaat voor! Twee mooie makrelen ontsnappen aan de pan. Dan maar die
van gisteren in de soep, vissoep met verse groenten en een onontbeerlijk
scheutje pastis! Met een ruime
6 bft racen we met soms 8 knopen naar Guernsey. Ook
de stroom is gunstig en door de ochtendmist passeren we Alderney
aan de westkant. Zonder gps hadden we nooit zo
dicht langs de rotsen durven varen en hadden we nog een slag moeten maken. Om 9 uur ’s
morgens liggen we alweer in St. Peter Port en genieten van de zon en een
glaasje wijn. Dat was Engeland, wij gaan via Camaret
(bij Brest) naar La Coruña. Het is
niet de eerste keer dat we op Guernsey zijn. Nog nooit hebben we het eiland
bekeken. Ook nu gunnen we ons niet de tijd het te verkennen maar spreken af
dat dat op de terugweg zal gaan gebeuren. We
blijven aan de steiger buiten de haven liggen en blazen de bijboot op met
onze voetpomp. Onze buurman kijkt er verlangend naar. Zijn elektrisch
exemplaar heeft het begeven. Het bevestigt maar weer
eens onze voorkeur voor mechanische apparatuur. Zijn schip, een Franse
klassieker, kan wel onze goedkeuring wegdragen. Je ziet dat er aardig mee
gevaren wordt. De kreeftenkorf achterop ziet er veelbelovend uit. De
schipper, een ervaren zeiler uit Le Havre, vertelt ons van zijn tochten langs de kusten van
Ierland en Bretagne en waarschuwt ons voor de enorme deining (La Houle) bij de kust in de Golf van Biskaje. Wij waren al
van plan om daar een beetje uit de buurt te blijven. St.
Peterport met zijn smalle straatjes, de markt, de gerechtsgebouwen en de oude
Engelse Pub zullen er
in de tijd van Victor Hugo niet veel anders hebben uitgezien. Het optreden
van een Frans dameskoortje op het muziekfestival aan de haven past perfect in
deze kneuterige omgeving. Geweldig! Hoeveel
vogels moeten boven zee niet in de problemen komen? Tijdens iedere oversteek
hebben we wel een meeliftende vogel. Meestal zijn het uitgeputte duiven. Ook
nu hebben we een Engelse postduif als passagier die de boel een beetje komt onderschijten. Het beest is doodvermoeid en we laten hem
uitrusten en drinken op het achterdek. Op 15
juli midden op de dag vertrekken we met de stroom mee van Guernsey richting Bretagne.
Vanaf nu varen we op onbekend water. Zon, een blauwe lucht en NNW 3 tot 4.
Tot de volgende morgen hebben we een perfecte tocht, maar dan valt de wind
weg en weer wordt het mistig. Voorzichtig varen we door, tot uit de mist Le Four opdoemt en een mijl
verder de zon schijnt. Helaas krijgen we een flinke stroom tegen en zo duurt
het tot ’s avonds 9 uur voor we in Camaret
aankomen. We nemen een
dagje de tijd voor terrasjes, een inspectieronde op de Willem Hendrik en het
verzamelen van voldoende moed voor onze eerste grote oversteek. De –rommelige-
jachthaven ligt vol met grote bakken die er uit zien of ze heel ver weg gaan.
Wij hebben zo’n beetje het kleinste buitenlandse
bootje en vrezen dat dat ook wel zo zal blijven. De Golf van Biskaje Het logboek op 17 juli 2002: “Om 12 uur vertrek. 300 Mijl wind NO 2. Een mijlpaal in
ons zeilersbestaan.” De eerste
dag verloopt rustig. Mooi weer en een glas wijn op het voordek. De tweede is
wat onrustig, de windvaan heeft moeite met de voordewindse
koers. Dat we het continentale plat afvaren merken we
alleen aan de kleur van het water. En aan de dolfijnen, wel 30, die ons een
half uurtje vergezellen. Je hoort het vaker en het is zo, je wordt er heel
blij van. De nacht weer in met weinig wind. De derde dag meer wind, en nog
steeds uit de goede hoek, met twee voorzeilen schiet het lekker op. Weer
dolfijnen, een ander soort, groter, net als de golven. ’s Avonds nog meer
wind en we stuiteren over het water door de donkere nacht. De volgende dag
wakkert de wind aan tot een 7 bft en lopen we
alleen op de fok al dik 7 knopen. Azuurblauwe brekers naast en achter ons,
nauwelijks water in de kuip, maar wel beangstigend hoge golven tot we vlak
bij de Spaanse kust zijn. De windvaan houdt het weer niet bij en we sturen op
de hand, om de beurt een uur. Later zal blijken dat er een schijf in een
blokje vast zat. De hele
weg hebben we geen schip gezien, tot vlak bij Spanje als er plotseling twee
coasters in ons vaarwater zitten, koers onduidelijk. Oproepen levert niets
op, dus varen we er met enige moeite maar achter langs. Eenmaal in de baai
van La Coruna vlakken de golven en de wind wat af
en ontspannen wij ons. We nemen een borrel en toasten op onze prestatie. In
de vroege avond varen we langs onbekende kusten. Welke verrassingen zullen ze
ons brengen? Na
82 uur varen worden we door dolfijnen de haven van La Coruña
binnengebracht en leggen aan aan een mooring. La Coruña zelf is geweldig, na de wat primitieve douche
dineren we voor 5 Euro en 11 cent per persoon voor wijn, brood en drie
gangen, bij de Club Nautico. Ook de stad kost tijd,
er is van alles te zien en te doen. De voorbereidingen voor de Cutty Sark race zijn in volle
gang. In de haven zelf maken we kennis met een aantal Engelsen met een 100
kwadraat meter, ooit als oorlogsbuit uit Duitsland meegenomen. Ze hebben een
syndicaat met honderd leden en varen om beurten mee. Jammer genoeg hebben ze
zeewater in de dieseltank gehad en moeten wachten op reparatie. We zien ze
niet meer zeilen. Er zijn
verbazend veel lieden met een oneindige hoeveelheid tijd hier, op weg naar
het zuiden, de Cariben of de Med. En vrijwel elk
schip heeft een grotere bemanning dan twee. Niet dat dat
een garantie voor een succesvolle oversteek is, maar het geeft wel aan dat de
golf nou niet het makkelijkste stukje water is. Zo helpen we later een
solozeiler uit Zweden bij het aanleggen, die al na een paar minuten vertelt
dat hij zo bang was geweest voor de oversteek. En liggen we de laatste dag
naast een grote Colin Archer
die na vier dagen motoren wegens te weinig wind een paar dagen na ons is
aangekomen. Geen probleem ? Nou, de drie ervaren
bemanningsleden waren het geslinger meer dan zat en
de dieseltank was bijna leeg. Hier geen stoere verhalen, maar blije gezichten
bij de aankomst en een gevoel van “dat hebben we gehad, nu ligt de wereld
voor ons open”. Ons doel
is de Azoren. Tijdens de oversteek hebben we beiden
stilletjes zitten rekenen en kwamen onafhankelijk van elkaar aan behoorlijk
wat zeedagen. Een groot deel van ons verlof zou opgaan aan het ergens naar
toe varen. Nu we hier in Galicië zijn en van
iedereen horen dat dit gebied zo mooi is en echt niet in de geplande vier
dagen kan worden bekeken, gaan we door de bocht en besluiten om niet over te
steken naar de Azoren maar om hier te blijven. Nu de
kogel door de kerk is voelen we ons opeens veel minder gehaast en stellen ons
met groot gemak in op een relaxte zeiltocht langs de kust van dit mooie land. We
blijven nu nog een paar dagen langer in La Coruña.
Een oud-collega van Jaap met zijn Spaanse vrouw wonen hier dichtbij. We gaan een
avond met ze op stap. In een paar uur tijd krijgen we
zoveel informatie over de gewoonten en gebruiken hier en voelen we ons bijna
echte Galiciers. Het leven speelt zich voor
een belangrijk deel af in de cafés en de tapasbarretjes.
Wij hebben daar geen problemen mee. De
laatste avond verhuizen we van de mooring naar de
steiger voor het laden van diesel, water en de accu’s. Het wordt een onrustige
nacht, de ferries en vissers veroorzaken een
deining die de zalingen tegen elkaar laat slaan. Het
wordt tijd om verder te gaan. Na de
ochtendnevel komt de zon die ons laat genieten van de kust. Via Corme (ankeren in de haven) varen we langs Cabo Villiano. Er is weinig
wind en na een blik op de van Ada en Akko geleende pilot besluiten we in de haven van Camariñas
voor anker te gaan. Na een bezoek aan het lokale alternatieve Café del Museo voor een paar tapas varen
we nog naar de overkant van de baai om daar de nacht voor anker te blijven
liggen. Omdat we de volgende dag een wandeling naar Cabo
Villiano willen maken varen we ’s morgens terug
naar Camariñas. Weer in de haven, voor anker in
gezelschap van een paar Engelsen (kleine bootjes) en Nederlanders (grote
boten). Na de wandeling langs de werkelijk prachtige kust eten we op het
terras aan de haven geroosterde sardines en calamares.
Om een uur of drie steekt er een straffe wind op, recht de haven in. Dat
blijkt later het vaste patroon in deze streek te zijn. Met een tweede anker
gezet blijven we de rest van de dag aan boord. Een maand
lang varen we ria in en
weer uit. Ankeren onze Willem-Hendrik dan weer eens
aan de ene dan weer aan de andere oever. Uitzicht op groene heuvels en
bergen. Een prachtig vaargebied. Maar opletten is het wel op onder water
liggende rotsen, die je vaak kunt ontdekken door witte kopjes van plotseling
opspattend water. Betonning zoals we gewend zijn vindt je hier niet. Ik had me
erg verheugd op een dagelijks bad in de blauwe zee, maar de temperatuur van
het water komt vanwege de koude golfstroom niet
boven de 14 graden uit. Dat valt even tegen! Maar het bier en de witte wijn
blijven in onze diepe kiel perfect op temperatuur. Wandelen kun je hier
fantastisch. Zo krijgen we toch genoeg beweging. Om al die lekkere tapasjes
te verbranden is dat ook wel nodig. Ieder café heeft hier wel een toonbank
waarin de tapas staan uitgestald. Kleine hapjes
vis, inktvis en salades, je kunt er niet genoeg van eten! Vlees kennen ze in
dit gebied niet. Na 3 weken vis leek Gulas mij een
aantrekkelijk gerecht. Nooit gedacht aan een bak vol glasaal! De plaatsjes
rond de rias zijn klein en vrij
arm. De bevolking leeft van de kleine visvangst en mosselkweek. Het leven is
er nog gemoedelijk zoals het bij ons in de jaren vijftig moet zijn geweest.
Toch wordt er zo hier en daar iets gedaan om de toeristen te trekken. Ook
worden er jachthaventjes aangelegd waar je water en diesel kunt tanken. Bij Fisterra, het dorp aan de Cap Finistere,
waar Ada en Akko bij het ronden van de kaap bijna
plat zijn gegaan, liggen we weer voor anker in de baai. We vinden onszelf na tien jaar zeilen en 1126 mijl in deze vakantie
aardig ervaren. Maar ook wij zouden door de wind worden
overvallen. Na een
rustige nacht blazen we de rubberboot op en roeien naar de kant om een fikse
wandeling naar de vuurtoren te maken. Halverwege de middag hebben we mooi
uitzicht over de baai en op de Willem-Hendrik. Het
rustige blauwe water in de baai lijkt bezaaid met witte kopjes. Dit
vertrouwen we niet en we lopen terug. Een uur later, bij de bijboot, zien we
al geen kans om terug te roeien. De kleine witte kopjes zijn nu behoorlijk
golven. De haven ligt vol met vissers en een reddingboot. Zullen we een
visser vragen om ons terug te brengen? Plotseling zien we onze boot van het
anker losslaan en als een jonge hond er vandoor gaan. Gelukkig niet de zee op,
maar wel de overvolle baai in. Nu aarzelen we geen moment en gebaren een net binnenkomende
visser om hulp. Jaap met de landvast van de bijboot en ik met de rugzak
springen voor ons leven en komen zonder ongelukken aan boord van de visser en
springen ook weer even behendig aan boord van de Willem-Hendrik.
Twee meter nog voordat we de reddingboot zullen rammen slaat de motor aan en
lijkt de zaak onder controle. Bedankt visser van de Cachan!
Alleen jammer dat ons anker achter een grondlijn is blijven hangen en door de
harde wind niet meer is los te krijgen. Nog vier uur lang schuiven we langs
de lijn richting reddingboot en weer een eindje terug. Gespannen houden we de
zaak in de gaten maar kunnen niets doen totdat de wind gaat liggen en we met
een kunstgreep het anker kunnen loskantelen. We hebben er weer van geleerd:
de wind trekt elke middag om een uur of drie aan en draait naar een andere
hoek. Vanaf nu zetten we twee ankers. Zo zeilen
we in een paar dagen, met elke middag een bult wind, via Porto Novo en Cangas naar Vigo. Onze zoon Sven
is aan vakantie toe en zal hier opstappen om een weekje mee te varen. Het is
hier allemaal heel relaxt, in Porto Novo betalen we geloof ik alleen maar havengeld
(9 euro) om de watertaxi 24 uur per dag te laten varen. En in Cangas is de splinternieuwe haven niet “operationeel”
maar wel in gebruik. Het hek is op slot, dus moeten we met de bijboot 3 (drie !) meter varen naar een openbaar steigertje om de
wal op te kunnen. In Vigo is de
haven bijna vol en krijgen we het een na laatste plaatsje. Ook hier
weer een Yachtclub, met een wat rommelig sanitair
maar een perfect restaurant. Kwestie van prioriteiten. We kunnen uit eigen
ervaring de in een apart tentje bereide pulpo
(inktvis) aanbevelen evenals de plaatselijke witte wijn. Het is
tijd voor een beetje plamuren, schuren en lakken. Sluitingen, wantspanners,
lijnen en de windvaan worden nagezien. De vele weekenden klussen van de
afgelopen winter blijken niet vergeefs te zijn geweest. Zelfs na vijf weken
zout water, de zoutkorsten zitten op de romp, is een poetsbeurt al bijna
genoeg. Ook is het wel leuk om weer eens in een grote stad wat rond te
kijken. Vanuit Vigo op weg naar Bayona komen
we in dichte mist. Tot nu toe kwam de zon na een paar uur wel weer door de
wolken, maar dit keer lukt het niet. Terugkeren heeft ook geen zin dus varen
we door. Dankzij de GPS en het volgen van een lokale zeiler (die het toch ook
niet helemaal duidelijk voor ogen heeft want heel plotseling gaat hij vol
bakboord uit) komen we toch in de haven van Bayona
aan. Van de omgeving hebben we niets gezien. Opgelucht gooien we het anker
uit, precies achter de Finvola (niemand aan boord)
uit Hellevoetsluis. Pas de volgende dag is de mist opgetrokken en zien we hoe
akelig dicht we langs allerlei rotsen zijn gevaren. Bayona
ligt net boven de Portugese grens. Het is een oud plaatsje met twee prachtige
kerkjes en een kasteel met ouderwetse kasteelmuren. Bayona
is de plaats waar de Pinta terug kwam van haar reis
naar Amerika. Hier kwam dus voor het eerst de melding van die verre nieuwe
wereld. Een replica van de Pinta trekt veel
bezoekers. Het maritiem museum is er in gevestigd.
Vanaf hier zal onze terugreis weer beginnen. Wij zijn
hier op het goede moment. Het is feest. Met een processie waarin grote poppen
worden meegedragen en ter afsluiting een vuurwerk dat in de haven wordt
afgestoken. Vuurwerk, daar houden ze hier wel van, wij hebben nog nooit zoiets
gezien!. De
eilanden die voor de kust liggen hadden we op de heenweg overgeslagen om ze
op de terugweg te bezoeken. In een baai van Islas Cies gooien we het anker uit. We zijn niet de enigen.
Veel Fransen hier en zelfs een Nederlander met een grote plastic bak en een
buitenmaatse Nederlandse vlag. We gaan aan land en maken een wandeling naar
boven door dennen- en eucalyptusbossen tot aan de vuurtoren. Jammer, bovenaan
geen bier, wij Hollanders zouden er op zijn minst een ijscoman hebben
neergezet. In de
zomer waait de Portugese Noord. Op de heenweg voeren we iedere dag met twee
voorzeilen meestal een rustige koers. Nu op de terugtocht moeten we hoog aan
de wind er tegenin. Dat is weer even wennen! We weten nu wel dat de wind in
de middag aantrekt. Het is dan vaak opboksen tegen de wind en golven en
kruisen om een volgende ankerplaats te halen. Een van
de schilderachtigste plaatsjes is Combarro aan het
eind van de Ria Pontevedra. Het oude centrum is
tegen de rotsen aangebouwd. De balkonnetjes van de huisjes worden ondersteund
door pilaren. Overal staan de ‘hueveros’,
de huisjes op palen zodat de muizen niet binnenkomen, waarin de maïs wordt
gedroogd. Bij laag water is het strand bezaaid met voorover gebogen mensen,
zoekend naar schelpdiertjes. Vanaf een terrasje zien we dat de Nederlander
met de grote vlag een plek heeft gevonden om te ankeren en wel precies op de
plaats waar wij liggen. Er is zoveel ruimte in de haven en toch zo dicht bij
ons? Vol verbazing zien wij vanaf de kant dat er aan boord hard gewerkt wordt
met stootwillen. Een tweede pilsje slaan we maar
even over en gaan terug om polshoogte te nemen. Nu zien we dat de mast van
het schip wel heel scheef overhelt, duidelijk drooggevallen. Onze kleine Willem-Hendrik laat zich gezellig tegen de romp van deze
grote broer drijven. De eigenaar ontmoeten we op de kade. Hij gaat maar een
hapje eten in afwachting van wat hoger water. De
volgende dagen kruipen we tegen de wind in langs de kust en door de ria’s naar het noorden. Porto Novo, Muros,
Laxe, Camariñas, het ene
plaatsje is nog leuker dan het ander. In Portosin maken
we een processie mee ter ere van Virgin Carmen, de beschermheilige van de
vissers. De vissersschepen varen gezamenlijk uit onder luid getoeter van de
scheepshoorns. Visnetten versierd met bloemen en op de kade een gigantisch mozaïek
van bloemen en schelpen. Het is groot feest. Tot diep in de nacht het optreden
van twee orkesten op levensgrote podia. En vanaf twee jaar mag je op de
kermis om twee uur in de nacht op een stier zitten in de stierentent. Jaap
wou dat hij zijn kleinzoon bij zich had voor deze ultieme verwennerij. Met
Sven (30) in de botsautootjes wordt het alternatief. Voor Sven
zit de tijd er weer op en hij vertrekt met de bus naar Vigo
om terug te vliegen naar Nederland. Het openbaar vervoer is hier perfect geregeld ! Jaap en ik vervolgen onze tocht terug naar La Coruña. Vandaaruit gaan we met
de trein naar Santiago de Compostella. We hebben
eigenlijk geen zin om deze toeristische plek te bezoeken, maar zo dicht in de
buurt moet je de gelegenheid niet laten lopen. En gelukkig maar! De stad is
prachtig met de kleine middeleeuwse straatjes, kloosters en de kathedraal
waar Apostel Santiago ligt begraven. De bedevaartgangers, die vanuit heel
Europa hier ter voet of per fiets naar toe zijn gekomen herken je aan de
kleding en de St. Jacobsschelp die zij om de hals
dragen. Heel veel hebben een verband om de voet vanwege blessures opgedaan
tijdens de lange en zware tocht hier naar toe. Natuurlijk ook veel toeristen maar
opvallend weinig souvenirwinkels en prullaria op straat. Zo wordt
het eind augustus. Eenmaal in La Coruña terug krijgen
we al het gevoel dat onze vakantie ten einde loopt. We zouden nog maanden
verder willen zwerven, van onze vrijheid genieten en het kost moeite de haven
uit te varen, naar het Noorden. Er is te weinig wind en we lopen aan de
noordkust Cedeira binnen. Het plaatsje ligt
verborgen tussen de rotsen en eenmaal in de baai blijk je er werkelijk
fantastisch te liggen. Tot ’s avonds laat zitten we aan dek. De volgende
ochtend nog steeds geen wind, dus naar de wal. Om onnaspeurbare redenen kunnen
we geen tankje diesel kopen bij de visserijcoöperatie maar moet
Jaap een uur lopen naar het
dichtstbijzijnde benzinestation. Het terras en een Racion
vlees met friet vergoeden veel. Het
weerbericht in de Voz de Ferrol,
de plaatselijke krant, belooft voor de komende dagen een
gunstige naar het oosten draaiende wind. Daar moeten we gebruik van maken. Om
15:00 uur vertrek, waypoint Chaussee
de Sein, op 285 mijl. Na anderhalve mijl kan de motor uit. De wind komt uit NNO. In de loop van de nacht draait de wind, maar niet
ver genoeg. Hij neemt wel toe. Uiteindelijk komt het er op neer dat we al
kruisend, dubbel gereefd en op de fok met slagen van 20 tot 24 uur in 100 uur
ruim 520 mijl afleggen naar de zuidkust van Bretagne. De harde klappen die we
elke minuut op de golven maken en het kraken van het hele schip zijn niet
goed voor mijn moreel. Maar Marjan praat me moed in
en op de derde avond op nog 100 mijl van de wal ruiken we de honing van
bloeiende kamperfoelie, net op het moment dat ik heb bedacht dat we maar naar
La Rochelle moeten om de boel heel te houden. Het
idee dat we het land kunnen ruiken geeft ons een enorme opkikker. We gaan
toch maar weer door de wind en na een uurtje zelf sturen gaat het zeilen weer
als vanouds. Tegen de volgende avond bereiken we de zuidwestkust
van Bretagne en leggen we in Loctudy aan. We
kunnen elkaar weer feliciteren met een geslaagde overtocht. Als echte nomaden
zijn we altijd blij om te kunnen vertrekken maar ook weer blij om ergens aan
te komen. Een warme
douche doet wonderen! En spoelt alle vermoeidheid weg. De jachthaven heeft
een gezellig restauant waar je heerlijk kunt eten.
Het landschap is wonderschoon. Voor de rotsachtige kust liggen eilandjes waar
je met een bootje naar toe kunt. Dit is ook het land van kastelen en grote
landhuizen, ‘Manoirs’ genoemd. Het dorp zelf is
niet zo interessant maar heeft een paar gezellige cafés. In het atelier van
de plaatselijke kunstschilder Marco kopen we ansichtkaarten van door hem
geschilderde Barca’s, houten Spaanse vissersscheepjes.
Marco wijst ons een prachtige wandelroute langs de vuurtoren over het strand.
Aan het
eind van de middag komen de vissermannen binnen. De vis gaat direct van de
visafslag naar de viswinkel die er naast ligt. Het is vechten om een kilo
levende langoustientjes. Met onze buit vlug terug
aan boord om deze lekkernij twee minuten te koken, om ze daarna rustig op te
eten. Een culinaire verrassing waar we graag een dagje extra voor zijn
blijven blijven hangen. In afwachting van de
visafslag hadden we tijd om ons schip weer wat bij te werken en om eens
rustig te keuvelen met onze drie Duitse buurmannen. Ze laten de boot in Loctudy liggen tot juni 2003. Ze hadden nog naar Spanje
willen varen, maar een scheur in het grootzeil heeft roet in het eten
gegooid. Wij krijgen 24 eieren en 9 liter water in flessen. Van honger en
dorst zullen we niet omkomen. Op 29
augustus vertrekken we richting Douarnenez. Een
prachtige zeildag! Halve wind, kracht 4, een verademing na de knijpkoers over
de Golf van Biscaje. Wel is het oppassen met al die
rotsen vlak in de buurt. Even let ik niet op, houd niet
genoeg rekening met de sterke stroom en let niet goed op een oostkardinaal, en keors te veel
naar het zuidwesten. Aan Jaap’s ademhaling
merk ik dat er iets aan de hand is! Op een paar decimeter van de romp ziet
hij net onder water een rotspunt voorbij schieten! Van dit soort momenten
moet je er niet te veel hebben! Geluksengeltjes, daar heb je er maar een paar
van! De stroom
loopt tegen, we hebben weinig zin om nu de Raz du
Sein door te worstelen, als dat al zal lukken. Zo belanden we in Audiernes, nog net aan de zuidkust van Bretagne. We gaan
voor anker in de baai en nemen enigszins onrustig aan een boei liggend een
borrel in de zon Een Fransman komt met zijn schip vol pubers kris kras tussen
alle voor anker liggende boten door varen en ligt vervolgens roerloos stil
achter zijn anker, precies op de plaats waar hij het had willen hebben. Een
staaltje van stuurmanskunst! In Douarnenez zullen
we hem en zijn bemanning weer tegenkomen. We hebben
geen zin om de bijboot op te blazen en naar de kant te gaan. We slaan een
bres in onze eiervoorraad en maken een omelet van
vijf eieren. Nog een glaasje wijn erbij.... De
volgende morgen worden we wakker in de mist. Een kop koffie of thee,
onmogelijk, het gas is op. Waarom gisteren geen nieuwe gasfles gekocht? Dan
toch maar naar de kant om er een te kopen. Maar waar is de kant eigenlijk? We
blijven maar even wachten op iets meer zicht. Om 12 uur zien we eindelijk de
contouren van de breakwater en plotseling is de mist
verdwenen. Waarschijnlijk was er op zee al uren goed zicht en was dit mistbankje
tegen de kust aan blijven hangen. Voor het tij zijn we nog net op tijd en
laten het gas maar zitten en hijsen de zeilen. We zijn niet de enigen. Met
vijf schepen gaaan we richting Raz
du Sein. Het is een rustige dag en zonder problemen komen we hier door. Wel
kunnen we ons voorstellen dat het hier met harde wind behoorlijk kan spoken
en de zee hier aardig tekeer kan gaan tegen de rotsen. De andere
schepen varen richting Camaret, wij varen naar het eind van de baai van Douarnenez. Douarnenez We leggen
aan aan een wachtsteiger vlak bij de jachthaven.
Een behulpzame havenmeester wijst ons de douche en waarschuwt ons voor ‘La Houle’, een zware deining die regelmatig vanuit de baai
recht op de steiger waaraan wij liggen loopt. Hij raadt ons aan om aan de
andere kant van de brug over de rivier te gaan liggen. De brug gaat pas laat
open, we liggen prima en met La Houle zal het wel
meevallen. Het plaasje waar we ligen
is niet Douarnenez maar Treboul.
Het heeft eigenlijk geen centrum maar wel een paar leuke restaurantjes en café’s. Bretangne is zwaar
gebombardeerd tijdens de oorlog. Veel plaatsen missen daardoor het oude
centrum. We lopen langs de rivier en steken de brug en sluis over. Nu
bevinden we ons wel in Douarnenez. Grote houten
steigers, met terrassen en winkeltjes en een podium voor optredens wijzen er
op dat hier het centrum van het festival van klassieke schepen moet zijn
geweest. Een jazzband met een goede zangeres sluiten met hun optreden het
seizoen af. Veel toeristen zijn er niet meer. Het is nu ook al 31 augustus. In
de haven veel oude en klassieke bootjes. Ze zijn hier wel wat gewend! De
volgende morgen heeft La Houle zich nog steeds niet
laten zien. Er is markt in het dorp. We doen boodschappen en drinken een
biertje op het terras. Er heerst een gezellige marktdrukte. Jaap heeft gas
gevonden en ik een wasmachine. Een goed begin van de dag. Terug aan boord
zien we wat de havenmeester heeft bedoeld. De wind is gedraaid naar NW en
blaast de golven precies de rivieropening in. We liggen te dansen aan de
steiger. Landvasten verbonden aan zware elastieken, het wil niet baten. Hadden we
maar beter geluisterd en waren we nu maar naar binnen gegaan. Pas om 10 uur
’s avonds gaat de brug weer open! Uren zitten we gespannen op te letten dat
er niets kapot gaat. Wanneer de boot voor ons vertrekt liggen we helemaal zwaar
op de golven. Ondertussen wordt de Willem Hendrik door menigeen bewonderd.
Het wordt ons nu echt te gortig. De dieselpomp aan de wachtsteiger gaat
sluiten. Het lijkt ons een geschikte plek om te gaan liggen. Bij het wegvaren
krijgt de stootrand een goeie oplawaai, met veel
gekraak wij balend, en net om de hoek aan een rustige wachtsteiger liggend nemen
we de schade op. Eindelijk,
het is al donker, varen we samen met de Tina, een ontwerp van Van der Wielen, door de brug en leggen aan aan een prachtige stevige steiger. Rust! De
volgende ochtend is het windstil. Geen rimpeltje op het water. De oranje herfstzon
schijnt op het water. Net als de Willem Hendrik, wordt een klassieker die
midden op de rivier voor anker ligt, in het water gespiegeld. Zo helder, dat
je niet kunt zien of de boot het spiegelbeeld is of het spiegelbeeld de boot.
Wat is dit mooi! Nooit wil ik hier meer weg. We stellen ons vertrek nog even
uit, kan de stootrand ook weer gerepareerd worden. Het is al
september, de tijd zit er bijna op. Nog een paar weken en
we zitten weer de hele dag binnen. Nog maar niet aan denken. We hebben ons nog een
paar dagen vakantie op Guernsey beloofd. In 36 uur varen we er heen en komen
midden in de nacht aan in St. Peter Port. St. Peter Port. De vaak
erg volle binnenhaven van St. Peter Port wordt afgesloten door een drempel.
Alleen met hoog water kun je er naar binnen. Wij liggen het liefst aan de
drijvende steigers buiten de haven. Vooral met warm weer lig je er een stuk
koeler. Het is nu een stuk rustiger in de haven en op het eiland dan aan het
begin van onze trip. Zelfs de watertaxi vaart niet meer. Niet dat we die ooit
gebruikt hebben, want roeiend ben je ook zo aan de kant. Een
beetje lichaamsbeweging is nooit weg. Zeker na een wat langere tocht hebben
we daar wel behoefte aan. Het weer
blijft prachtig en twee dagen wandelen we over het eiland. Eerst met de bus
naar het noorden. Vandaaruit lopen we terug. Hoewel
de folders van de VVV anders doen lijken zijn er niet eigenlijk niet veel
bezienswaardigheden op het eiland. Een van de trekpleisters is de
fuchsiakwekerij. Omdat de bus er voor de deur stopt stappen we uit om er een
kijkje te nemen. Een kas met wat uitgebloeide plantjes, we zijn vast verwend
met onze grote tuincentra. Ook het landschap valt een beetje tegen. Veel
bebouwing en veel kassen. Tuinbouw vormt zo te zien een belangrijk deel van
de inkomsten. De tweede
dag gaan we naar het midden van het eiland en lopen we de paden zoals we het
ons hadden voorgesteld. Groene laantjes, prachtige tuinen, kleine plaatsjes
en hier en daar een bezienswaardigheid. Op Guernsey spreekt men Engels, maar
de huizen hebben meestal een Franse naam. We bekijken het kleinste kerkje van
Europa, Little Chapel.
Het is inderdaad heel erg klein. Het hele kerkje is van binnen en van buiten
ingelegd met stukjes kleurig Wedgewood. Net het boudoir
van een pastoor. Eén van de vele bussen brengt ons terug naar St. Peter Port. Hier zijn net de kantoren uit. Guernsey is
een belastingparadijs. Het wemelt van de nette pakken op straat en in de café’s. Bijna ieder land heeft hier een vestiging van een
bank en een gerechtshof. Vandaar het hoge gehalte ‘grijs’ en ‘blauw’ op
straat. Het
vaargebied tussen de Kanaaleilanden staat bekend om zijn hoge
stroomsnelheden. Nu, met springtij komt er nog een schepje bovenop. Na veel
gereken weten we hoe laat we van Guernsey moeten vertrekken om aan begin van
de meegaande stroom in de Alderney Race te zijn. De
stroom is dan nog niet op zijn hevigst en we kunnen daarom op een rustige manier door
dit stroomgat naar het noorden komen. Jaap heeft zijn berekeningen goed
gedaan. Snelheid, wind, het blijft redelijk binnen de perken. Totdat we
tussen Alderney en Cape de la Hague
in een pierenpot van golven terechtkomen. Niet voor
de eerste keer, maar het is ditmaal wel extra rommelig. Ik worstel me naar
binnen om de life-lines te pakken. Zeilen heeft zo z’n onplezierige kanten. Na een uur zijn we er doorheen en
varen vlot, stroom mee, naar Cherbourg. In het havenkantoor hangt een detailkaart
van het gebied waar we net doorheen gekomen zijn. Het staat gemerkt als zeer
gevaarlijk bij springtij. We kunnen dat beamen ! Cherbourg De
jachthaven van Cherbourg is groot, de stad is op cultuurhistorisch gebied
niet interressant, maar met de grote parken met
borders vol begonia’s heeft het een echte Franse sfeer. Veel zeilers hebben
een hekel aan deze plek, maar wij komen er wel graag. Voor de fourage van wijn en voedsel en als uitvalbasis naar de
Kanaaleilanden, de Zuidkust van Engeland of Nederland is deze haven een prima
vertrek- of aankomstpunt. En je kunt er eigenlijk altijd naar binnen vanwege
de grote voorhaven. Het oude dok en het gloednieuwe watermuseum ‘Cité de la Mer’ met de eerste
onderzeeër de ‘Nautilus’, zijn de moeite waard om te bezoeken. Onderweg
ontmoeten we een Nederlands stel dat met hun Standfast
48 van Italië op weg is naar Breskens. We spreken
af dat als we elkaar onderweg weer zouden ontmoeten we samen een borrel
drinken. Terug aan boord geeft de navtex kans op zware
storm voor ons gebied. De zon schijnt en er is een klein zuchtje wind te
bekennen. Maar een paar uur later meert naast ons een Nederlands schip aan
met drie stevige kerels aan boord. Ze zien groen en op het dek is het één grote chaos van gescheurde zeilen en een afgerukte
buiskap. 30 mijl voor Cherbourg werden ze overvallen door een piepklein
lagedrukgebiedje dat met enorme vaart door het Kanaal naar het Noorden raasde,
een zogenaamde ‘Kanaalrat’. Die ochtend nog hadden ze telefonisch contact
gehad met Meteoconsult, maar van een zware
depressie was geen melding gemaakt. De volgend ochtend om zes uur vetrekken we richting Fécamp. Van een Kanaalrat is niets meer te merken en bij
een wind van 2 Bft zetten we de motor bij. Samen
met de sterke stroom komen we aardig vooruit. Een groot Nederlands schip vaart ons
voorbij. Het zijn de mensen uit Breskens met de Standfast, de Aas. Ze zwaaien en wij zwaaien terug. Het
wordt een hete dag. Met weinig wind werkt onze Atriës
windvaan niet goed. We sturen om de beurt een uur. Met al die stroom mee en
motor aan vliegen we over de baai naar Fécamp.
Sterke stroom mee betekent ook sterke stroom tegen. We komen na
een aantal uren niet echt meer vooruit en pas ’s avonds laat bij Fécamp aan. Te laat om nog naar binnen te kunnen, want
met springtij staat er bij laagwater te weinig water in de haveningang. Voor
anker gaan is geen optie. De barometer is in korte tijd 10 milibar gestegen. Dit belooft veel wind. Maar er zit niet
veel anders op dan doorvaren naar Dieppe. Er staat
nog steeds een beetje wind mee en de motor maakt overuren. Zo langzamerhand
staat de kajuit blauw van de uitlaatgassen. Hoofdpijn. Ik ga buiten op de
bank liggen slapen. Jaap vaart dicht langs de falaisekust.
Soms wat lichten van een dorpje. En verder alleen maar stik en stikdonker. Na
een uur ben ik wel weer boven Jan en neem de wacht van Jaap over. Ook hij
waagt zich niet binnen in de dieselstank en valt in slaap onder een prachtige
heldere sterrenhemel. De stroom keert eindelijk weer met ons mee. Hoe snel
kan een humeur omslaan? Hoe snel duurt de tijd? Bij slecht
humeur duurt de tijd oneindig...bij goed humeur vliegt ie
voorbij en zien we al snel de haven- en kadelichten van Dieppe
opdoemen. Een vlotte tocht al met al. Ware het niet dat een paar honderd
meter voor de haveningang het zicht plotseling tot 30 meter is gereduceerd.
De boulevard, die al in zicht was en waar een brandje leek te woeden, is
verdwenen. Heel voorzichtig varen we door, Jaap op de boeg om te kijken of we
nergens tegen aan varen. Na een minuut of vijf zien we een piepklein groen
lichtje op een paar meter hoogte, het havenlicht !
Vijftig meter verder opent het havenkanaal zich, mist stroomt door de
riviermonding langs de kust. Dat was dus de “brand”. Een kwartiertje later
liggen we weer vast aan de steiger. Na een
dagje Dieppe, met een vliegerfestival en een
uitgebreid diner Fruits de Mer
gaan we ’s
avonds aan boord van de Aas (de Standfast) heel
gezellig aan de borrel. Zij waren wel op tijd in Fécamp
en zijn vandaag verder gevaren. De volgende ochtend is er weer wind maar in
de verkeerde hoek. Toch vertrekken we, en het wordt weer een ouderwets dagje
dóórvaren, met een steeds toenemende wind en steile golven. Als de golven
langs het achterdekje de kuip in spoelen steken we weer het tweede rif en om half één ’s nachts
leggen we aan in de naar een open riool ruikende haven van Boulogne. Als we wakker worden waait het nog steeds
straf. We blijven nog maar een dagje. Naast ons ligt een stalen knikspant met
een jonge Duitse schipper, die in de loop van de dag
zijn boot voor 1000 Euro verkoopt. Hij is al en tijdje op weg, maar ziet het
na een mislukte poging om terug langs Cap Gris Nez
te varen helemaal niet meer zitten. We hebben vreselijk met hem te doen. ’s Avonds
komen Dirk en Margreet van
de Aas bij ons aan boord aan de cider. We spreken af als we elkaar voor de
derde keer zien ook maar eens te gaan eten. De volgende ochtend staan we
vanwege het tij heel vroeg op. Het lijkt minder te waaien, maar al in de
havenmond blijkt dat niet helemaal het geval. We starten met een dikke 4 en
golven van meer dan 2 meter. Restantje van de
vorige dag ? Nee, het begin van een supersnelle,
maar ruige tocht naar Calais. We hoeven slechts éénmaal door de wind, maar
hebben nog nooit zoveel water in de kuip gehad, we varen recht een grondzee
in die het halve schip onder water laat verdwijnen. Geen probleem voor ons
trouwe scheepje, zelfs het gekraak van de Golf van Biscaje
laat zich niet horen. In krap 4 uurtjes liggen we in de voorhaven van Calais
aan de mooring. Toch enigszins vermoeid vallen we
beiden op de kuipbanken in slaap. Na een onrustige dag en nacht – de Ferries varen in en uit – varen we voornamelijk op de
motor (!) naar Nieuwpoort. Daar ligt de Aas, die iets later dan wij uit Boulogne was vertrokken en de volle mep van wind en
stroom had gekregen en er niet helemaal schadevrij af is gekomen. Maar goed,
driemaal is scheepsrecht en we nemen de uitnodiging om te gaan eten graag
aan. (foto) Het
weerbericht belooft NW wind ! Eindelijk. Maar we
merken er weinig van. Het
blijft óf NO óf geen wind. Dus duurt het nog een paar dagen
voor we in Amsterdam
worden verwelkomd door familie en vrienden. Eind september
liggen we weer in Ketelhaven. Daar, op onze één na laatste vakantiedag
verkopen we onze Wilem Hendrik. Een vreemd gevoel,
na drie maanden is het je huis geworden en het lijkt een beetje of je je metgezel verlaat . We wisten dat het zou gebeuren,
maar toch. Gelukkig hebben we al een ander schip, de Illusie, dat op restauratie
en nog langere tochten wacht ! Marjan Fortuin en Jaap Booij |