Vada Varia, nr. 1 2008

 

 

Doet u ook wel eens wat doms ? (2)

 

Het is 1996. Met mijn Shark 24, 7,20 meter lang, 2,10 meter breed en 1000 kilo zwaar, wil ik voor de tweede keer naar de Engelse zuidkust. Nu niet, als vorig jaar terug via de Kanaaleilanden en Frankrijk maar verder langs de Engelse kust. Liefst tot Cornwall en Land’s End, het uiterste zuidwestelijke puntje van Engeland. Dat is in die heerlijke 5 weken durende vakantie ook gelukt. Over de beginperikelen hieronder.


door Peter Burghouts


 

Als bemanning heb ik een zeer zeilvaardige jongen van ’n jaar of zestien, Martijn. Mijn zoon, Alef, gaat de eerste 3 á 4 dagen mee om Martijn wat in te werken. Over twee weken komen mijn vrouw en Alef met veerboot en trein naar de plaats waar we dan zijn om de tocht voort te zetten. Dat zal Plymouth worden. Martijn gaat dan terug.

 

We vertrekken op zaterdag 13 juli om ’n uur of negen in Lienden, de haven tegenover Rhenen. Na de Rijn, een stukje Amster­dam-­Rijn­kanaal, de Waal, Biesbosch, Volkerak, een uurtje of zes slaap bij de Krammersluizen en de Oosterschelde worden we op zondag, om ’n uur of zeven in de avond in de Roompot­sluis, geschut naar zout water. Op de dijk, bij die sluis, staat (stond?) een patattent. Tot verbazing van onze buren met een veel grotere boot maken we na die patat met kroketten los om even voor achten. “Gaan jullie nog even een rondje bij zonsondergang maken?” “Nee, we gaan naar Enge­land”. Beetje machoantwoord natuurlijk. De verbazing van de buren komt vooral voort uit de beperking van veel kusthoppers die alleen zeilen tussen de ochtendkoffie van ’n uur of 10 en de reeks aperitieven vóór het blik goulash van zeven uur. Ze missen de schoonheid van een mooie zomernacht op zee.

De nacht die kwam was er een fraai voorbeeld van. Het was een dag met weinig wind; een vlakke zee dus. Nu moet ook nog even de motor aan om veilig in diep water te komen. In de late avond, met de flitsen van de vuurtoren  van West-Kapelle in de verte al schuin achter ons, trekt de bries aan en kietelt de snelle en lichte Dunnekus. Hoewel het nog vroeg in de zomer is zijn er al zoveel fluoresce­ren­de algen dat het water intensief oplicht; de witgroene snor onder de voorsteven biedt een fascine­rend en voor Martijn nieuw schouw­spel.

 

De wacht gaat goed; een op, twee plat met overloop voor koffie of chocola. Helaas gaat de accu ook behoorlijk plat. De Decca - toen nog gebruikelijk, GPS was nog extreem duur - die weinig stroom lust en het ook bij 10 volt nog wel doet, mag af en toe even aan en er gaat een petroleumlampje onder de zaling.

 

De maandag: zon, prachtig weer. We vorderen goed en zeilen om ’n uur of tien ten noordwes­ten van West Hinder de 5 mijl brede oostelijke shipping lane in (op 51º 26’N, 2º 16’E). De geul dus voor schepen die naar het noordoosten gaan; naar Londen, Rotter­dam, Hamburg … . De wind draait en neemt wat af. Volgens voorschrift, min of meer loodrecht door de lane, lukt niet. Dat is niet bezeild. Dan maar twee vliegen in één klap: buitenboordmotor aan zodat we er recht en sneller door­komen en bovendien de accu wordt geladen. Dat gaat prima. Tot in de “separation zone”. Dat is een soort

middenberm tussen de 2 lanes, hier ongeveer ’n mijl breed”. Daar stopt de motor met een doffe klap.

Na een kwartiertje zwoegen zijn de resten van een oud stuk nylon (visnet ?) uit de schroef gesneden. Maar de schroef loopt aan. We durven ‘m niet te gebruiken. Vervelend: accu leeg, geen buiten­boordmotor en in de “middenberm” van misschien wel de drukst bevaren shipping lanes van de wereld. Nu niet, gelukkig. Koers dus 240º, recht naar Ramsgate. Ook al gaan we dan schuin door de westelijke lane. De scheepvaart laat ’t toe, het is kraakhelder, er is een mooi windje en de zee is rustig. Maar niet helemaal leeg die zee. Want héél ver weg, vóór ons, een klein vlekje. Wordt groter. Een schip? Ja hoor. We zien de witte snor naast de boeg groter worden.

Naast en achter ons is niets. “Hmmm, zegt Martijn van achter de kijker, “de kustwacht of zoiets. Ze komen naar ons toe.” Het zal toch niet waar zijn? Hebben ze natuurlijk onze foute oversteek door de lane op de radar gezien? Uit de blaadjes weet ik dat de boete stevig kan zijn. Ze komen met hoge snelheid, maken een grote boog achter ons en varen naast ons. De Coastguard. Zij bekijken ons en lijken dingen op te schrijven. Ik zoek balend naar mijn betaalcheques in de hoop dat ik daarmee de boete kan betalen. Ze varen tot vlak naast ons, zien misschien ‘Rhenen’ op de spiegel en de voor hun onbegrijpelijke naam ‘Dunnekus’ op de boeg, zwaaien en stuiven ronkend weg. “Jee”, zeg ik blij. “Tóch geen bon?” “Hmm, zegt Alef. “Doen ze tegenwoordig anders hoor. Als jij thuis komt ligt de acceptgiro al op de mat.” Jammer. Hij is al te groot en te sterk voor een stevig potje kindermishandeling?

 

Om 16.00 uur Nederlandse tijd krijgen met het laatste restje stroom via de marifoon toestemming, wegens motorpech zeilend, de haven van Ramsgate binnen te lopen. Niet slecht; een oversteek in 20 uur en in minder dan 2½ dag van Rhenen naar Ramsgate. Alef hangt op 2 strategische plaatsen zijn liftbordjes op met in het Nederlands en Engels een verzoek om een lift naar de overkant. Ik neem wraak op zijn acceptgiro­ver­haal en lach ‘m toe, eigenlijk uit. “Lift jij maar naar Sheerness jôh. Da’s vlakbij. Daar kun je met de ferry naar Vlissingen. Goedkoop, kan jij met jouw studiefinanciering best betalen.”

Om ’n uur of acht die maandagavond klopt een wat oudere Engelse heer op mijn boot. Om zes uur de volgende ochtend, dinsdag, zwaai ik weemoedig naar de Quantz, de boot waarmee Alef met Richard, zo heet die Engelse heer, naar Frankrijk zeilt. Liften over de weg van Calais naar Nederland was ook geen probleem; diezelfde avond overnacht hij bij mijn zus in het zuiden des lands. Richard en zijn vrouw Wendy zijn goede kennissen geworden. Met genoeglijke correspon­dentie over en weer, ’n fantastisch logeeradres in Suffolk en ‘n paar keer ’n leuk doel voor een zeeoversteek met Tilman, de grotere zeilboot die we begin ’97 kochten.

 

De schroef van de buitenboordmotor komt er na advies van ’n dealer en wat gerichte tikjes weer bovenop. De accu niet. We gaan met een rugzak waar de jerrycan precies in past, benzine halen. Op de terugweg, in de winkelstraat in Ramsgate, zet ik de rugzak met jerrycan voor de ingang van Hallfords om naar een nieuwe accu te kijken. Niet mee naar binnen natuurlijk; het kreng stinkt naar benzine. Martijn is 16, lijkt ouder, draagt een zoveelste hands versleten vlekkerig suède jack en elk haar van ‘m - hij heeft er heel veel - groeit in een geheel eigen richting uit zijn hoofd. Iemand dus ‘die anders is’ of er tenminste pittig uitziet. We kijken naar de accu’s. Dan een gespannen winkelbediende die naar ons toe komt en gespannen vraagt of de rugzak daar van ons is. Ja dus.

 

Bij de ingang twee Bobby’s, verbeten kijkend. Ja. Van ons. De ronde, gladde en zwartmetalige bovenkant is te zien in de dichtgesnoerde dagrugzak. Een jerrycan benzine voor mijn buitenboordmotor stamel ik, inmiddels snappend wat ik gedaan heb … in het Engeland van 1996, met IRA aanslagen en zo. Het zweet breekt me uit, ik zak door de grond, stijg weer op en zou het liefst ter plaatse verdampen of me chemisch binden met ’n trottoir­tegel of zoiets. Ik prevel excuses… schaam me tot in het diepst van mijn ziel, die op dat moment voelt als een hele dikke darm… Geen loeiende sirenes, niet als terrorist voor de rechter, geen 10 jaar eenzaam in de ketenen in de kerkers van de Tower Bridge wegens criminele domheid. Ik zou niet eens in beroep zijn gegaan. Zo dom zijn moet tot lijden leiden.

‘N Hollandse kaaskop als kind van zijn tijd. Het was juli 1996. Wij waren het trauma Sebrenica (’n jaar eerder) aan het verwerken. Engeland had andere problemen. Ook geweld veel dichter bij huis.

Dat was toen.

 

Peter Burghouts.