Vada Varia, nr. 1, maart 2009

 

 

Vaarbelasting of recreatiebijdrage

 

Ik mag graag ‘ns kijken naar het jeugdjournaal. Daar, afgelopen zaterdag 31 januari, een goedgebekt en smaakvol opgemaakt meisje van ’n jaar of elf, twaalf dat haar “ultieme” meidenfeestje mocht geven. In de opbouw en de mogelijke verwezenlijking van haar verlangens werd ze “gesteund” door een gespecialiseerd kinderfeestjesbedrijf en de voorraad flappen van ma. Die ma kwam zelf niet in beeld; hoefde ook niet. Dochtertjelief die vertelde samen met haar vriendinnetjes ook de eerste beginselen van het catwalklopen op haar feestje te gaan leren, was mans genoeg om mams mening te vertolken. Ja. Zij was er nu wel uit met haar feestje. Het moest natuurlijk niet te gek worden met de kosten. Maar dit …. 5000 euro, moest kunnen, zo legde ze uit in háár poging te relativeren.

In een bijlage van NRC-Handelsblad datzelfde weekend de voor mij nieuwe term “Gucci-kapitalisme”. Weliswaar over het einde daarvan. Maar toch; soms vallen dingen mooi.


door G B Rom


 

Voor de interne verhoudingen binnen onze vereniging is er nieuws. Voor alle VADA-leden goed te weten: de havenleden hebben een nieuwe vijand. Als de andere afdelingen dus wat in de luwte menen te komen … Reden is dat binnen de kring van onze bewindslieden voor de zoveelste keer het idee opgeborreld is om een mogelijk nog niet ontgonnen belastingbronnetje aan te boren; een belasting op bootjes. Geen uit de lucht gegrepen idee natuurlijk. Als je uitgaven stijgen en je inkomsten dus eigenlijk ook omhoog moeten zoek je als overheid naar mogelijkheden waarvan je denkt dat die effectief, uitvoerbaar en maatschappelijk aanvaardbaar zijn. Als huizen kopen al belast is, als kindertjes voor de Efteling al vermakelijkheidsbelasting betalen, als het pilsje, het hebben van stervende-suikertantes-met-vruchtgebruik, het sjekkie, de benzine, het inkomen, de piepers en de broodrooster (BTW) al belast worden …. mag je dan die bootjesbezitters, ogenschijnlijk als groep niet behorend tot de minst bedeelden, ook wat extra vragen voor wat ze krijgen?

 

Misschien kan dat, zo moet Mevrouw Gerda Verburg, onze (CDA) minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit gedacht hebben. Zij stelde in september vorig jaar een “Taskforce Versterking Recreatietoervaart” in. Voorzitter was D. Gabor en hij kreeg als opdracht te onderzoeken of een technische en bestuurlijke bijdrage van de watersport aan de recreatievoorzieningen mogelijk is. Inmiddels heeft de commissie haar conclusies en suggesties gepubliceerd. Met de volgende aanbevelingen: maak een potje met geld (het z.g. “Blauwfonds”) waaruit knelpunten in de toervaart en de waterrecreatie worden opgelost, de kleine waterrecreatie wordt gestimuleerd, de vaarveiligheid wordt bevorderd en milieumaatregelen kunnen worden getroffen. Uit die pot moeten naast het afschaffen of beperken van dingen als brug- en sluisgeld dus verbeteringen voor de waterrecreant worden gefinancierd. Het fonds moet z’n geld krijgen door boten met een oppervlak van meer dan 10 m2 een bijdrage op te leggen van € 8 per m2. Het gaat om zo’n 300.000 van de in totaal 500.000 bootjes. Voor een VADA-modaal motorbootje van 8 bij 3 meter is dat dus € 192 per jaar. Roeiers en kanoërs betalen niks, die zijn kleiner dan 10 m2. Wat de vorm betreft: door de commissie wordt gedacht aan een jaarlijks te “verkrijgen” sticker. Overigens lekte een paar weken eerder ideeën uit om alle boten te gaan registreren. Niet alleen, zoals nu, de snelle motorboten. Als dat waar zou zijn … als alle bootbezitters met naam en toenaam open en bloot in een register komen …

 

Maar goed. Het geld van de bootjesmensen komt dus niet in de pot van Bos; de commissie stelt ook voor om de betrokken watersportorganisaties dat “Blauwfonds” te laten beheren. Maar, hoe je het ook wendt of keert: het zal voor de meeste bootjesmensen in ieder geval een lastenverzwáring zijn. Wel degelijk gevoeld als een soort vaarbelasting dus. En dus gefundenes Fressen voor een “diepgaande” evaluatie door de volksmond. Als eerste natuurlijk de bewering, met verontwaardiging in de ondertoon, dat de overheid de boot als nieuwe melkkoe ziet. Alsof iemand dat ontkent. Niks geheims aan. Dat is nou eenmaal het kenmerk van een belasting; ’n melkkoetje bedenken om aan wat extra geld te komen. In dit geval is het trouwens niet eens een “normale” belasting; een betaling aan de overheid zonder een directe tegenprestatie. Want als het aan de commissie ligt is het een betaling aan een potje waaruit verbeteringen voor de watersporters zelf betaald worden en nota bene beheerd wordt door de watersportorganisaties. Negatief geformuleerd is het wel “een sigaar uit eigen doos”. Je moet ‘m betalen maar mag ‘m ook zelf oproken. Pas vervelend als je niet van sigaren houdt, als die verbeteringen in de waterrecreatie voor jou niet hadden gehoeven, als jij maar twee keer per jaar 3 euro in het klompje bij een brug hoefde te stoppen of je boot alleen maar het hele jaar in de haven laat liggen om er biertjes te drinken. Maar ook niet zo gemakkelijk er echt tegen te zijn; ga dat eens open en eerlijk verkopen: “Wij, bootjesmensen vinden dat de extra uitgaven voor onze hobby moeten worden betaald door iedereen en er niet een extra bijdrage mag worden gevraagd van ons bootjesmensen. Want wij betalen al genoeg.” Toch is dat zo’n beetje de strekking van het protest tot nu toe.

 

En onze watersportorganisaties? De ANWB, indertijd erkend tegenstander van invoering van een vaarbelasting is het nu “op hoofdlijnen eens met het advies van de commissie Gabor”. Dat wordt ze door (een deel van) de achterban niet in dank afgenomen. Die mort.

Het Watersportverbond is voorzichtig; gaat overleggen met de achterban en “is geen voorstander van een bijdrage, tenzij: ….”. En bij dat tenzij staat als eerste: “alle gebruikers van het water bijdragen aan het gebruik van het water.” Het soort duidelijkheid dat uitmunt in onduidelijkheid, de boot afhoudt en onvruchtbare fierheid ten toon spreidt; de gedachte dat in het huidige economische klimaat de beroepsvaart ook maar één cent zou gaan bijdragen aan voorzieningen die primair voor de recreant worden getroffen.

 

Wij, waterrecreanten zijn nu aan bod. De botte platgetreden retoriek dendert via het internet al binnen. Boze brieven, petities, kankeren op onze regering, en op die rooien natuurlijk, waar het uiteraard allemaal vandaan komt, “die ons onze hobby misgunnen” waardoor “voor ons het varen onbetaalbaar wordt gemaakt en we onze boot zullen moeten verkopen”. Tja, dat is natuurlijk nu helemaal zuur. Want die raak je met die vaarbelasting helemáál niet meer kwijt. Wie wil er nog een boot met die vaarbelasting? Hooguit die Duitsers misschien die op “ons water” varen. Want die zullen wel weer niks hoeven te betalen. Ja. Het zal stil worden op het water. De commissie havenkom kan haar werk opnieuw gaan doen; de afdeling haven zal aanzienlijk kleiner worden.

Van onze oppositieleider (te rechter zijde) zou ik me, zijn stijl in acht nemend, een reactie kunnen voorstellen in de geest van: “Schokkend te horen dat dit kabinet na alle lastenverzwaringen die ze al hebben doorgevoerd nu ook nog eens die hardwerkende watersporters die hun zuurverdiende vakantiegeld …”

 

Wordt het een lange hete zomer? Het nieuws is vers. Ieders mening moet zich nog verder vormen. Misschien ben ik ook ooit nog eens tegen. Hoe dan ook; spijtig als ik meer moet gaan betalen. Maar ja, in alle eerlijkheid … ik heb me al zó vaak verbaasd geen rekening te krijgen nadat ik in een grote binnenvaartsluis als Amerongen of Hagestein weer eens in mijn dooie uppie of met een of twee andere plezierjachtjes was geschut. Of als ik in de avond met mijn boot onder de Erasmusbrug doorvoer die voor mij alleen draaide en het Rotterdamse verkeer een minuut of zeven alleen voor mij en de mijnen stop zette. Dát was genieten. Dáár zou ik een flink bedrag aan vaarbelasting voor over gehad hebben. Overigens is mijn poging te relativeren een slagje anders dan van dat Gucci-meisje: 5000 euro is me veel en veel teveel!

 

GB Rom.

 

gbrom@kpnplanet.nl