Vada Varia, nr. 2 2004

 

 

Noorse lusten en lasten

 

Deel 2. De lasten. Over hitte, lagerwal en had-ik-maar

 

 

Na Bergen zeilen, drijven en dieselen Leida en ik knus met z’n tweetjes door de prachtige wateren zuidwestelijk daarvan en keren terug naar de Hardanger Fjord. Honderden eilandjes en eilanden, kilometers breed meestal volledig leeg vaarwater. Af en toe een veerboot of heel in de verte een ander jacht, oevers met voor ons sjieke, maar hier heel normale huizen, soms wegen tegen de rotswand langs de fjord, ’n enkele donderende waterval die uit een kloof zo in het zoute water stort, bergen met boven nog wat glinsterende sneeuwveldjes en oostelijk het zicht op de witte ronde ijskap van de Folgefonne gletsjer. De ene keer dat het weer wat minder is of we in een haventje ’n dagje blijven om de was te doen wandelen we, babbelen met de Noren, eten de vis die we krijgen van iemand die te veel gevangen heeft en genieten van de kleine geneugten in dit grootschalige land.


Peter Burgouts


Het tekort aan wind en, net als dan in Nederland, de hitte zorgt ervoor dat we regelmatig naast de boot in het kristalheldere zoute water stappen om af te koelen of gewoon lekker te zwemmen. Overkomelijke probleem­pjes zijn de grote afstanden, de niet altijd duidelijk op de kaarten aangegeven haventjes en het moei­lijke ankeren vanwege de grote diep­te of een ongeschikte bodem van bijvoorbeeld gladde of hellende rotsplaat. Deze vakantie ankeren we meerdere malen in water tussen 15 en 20 meter diep. De volle lengte van 58 meter ketting gaat dan uit. Het ophalen kon dit jaar gelukkig elektrisch. ’N gedoe om zo te ankeren. Maar áls je zo’n plekje vindt …

 

 

De Hardangerfjord

 

Leida en ik zijn met Tilman in het smoorhete Norheimsund; ’n kilometer of 120 vanaf de monding (zee) van de Hardanger­fjord. Aan boord “Den Norske Los”, een dik, duur en fraai geďllustreerd maritiem boekwerk over dit gebied. Heel bruikbaar hoewel we geen letter Noors spreken. Geschreven Noors is in tegenstelling tot het gesprokene nogal eens herkenbaar. Waarschuwingen ook; zeker diep in de fjorden is er risico van valwinden. Bij instabiele meteorologische omstandigheden kun­nen grote hoogte- en temperatuurverschillen lei­den tot onvoorspelbare en hevige winden. “Valwinden” in Algemeen Beschaafd Poldertaals. Het risico werd ook in de gewone babbels met bootbuurtjes etc. ’n paar keer genoemd. Daarom leek voor ons vooraf Norheim­sund ongeveer het uiterste punt. Boodschappen daar. Bij een boekwinkel zegt de eigenaresse, zelf watersporter, dat het weer nu zo rustig is dat we wel verder de Fjord in kunnen. Zou leuk zijn. Daar liggen veel plezierige herinneringen aan zware rugzaktochten over de Hardanger Vidda. Zowel met Leida, ’n jaar of 4 geleden, als 15 jaar geleden met de toen 12 jarige Alef. We kopen toch maar de extra kaart en besluiten naar het einde van de fjord, Eidfjord (moeilijk hč, dat Noors?) te varen.

 

Heet en geen zuchtje wind; motorbootje spelen met weinig gas. Een schaduwzeiltje. We varen onze “Bĺtsportkart” af. De nieuw gekochte kaart begint een eindje verder. Geen probleem. Zandbanken zijn er niet; in het midden is de fjord hier 800 tot 850 meter diep. Boven ons bouwen een paar keer wolken zich uit tot onweerswolken. Twee achter elkaar. Ze missen ons; gaan vóór ons langs naar het noorden. Eenmaal boven de berg één flinke klap. Wind uit het zuiden. Maar later op de dag trekt een zware regenbui voor ons langs van noord naar zuid over de fjord richting Kinsarvik. Wind gedraaid dus. Dan maar proberen ergens aan de noordelijke oever een aanlegplaats te vinden waar we wachten op Alef en Marjon. Leuk. We hebben ze ’n maand niet gezien. Ze zijn met de auto gekomen en kampeerden in Denemarken, Zweden en Noorwegen. Morgen nemen Leida en ik hun auto met tent etc. en zij de boot.

 

In de Norske Los wordt ook in Djönno een “betonkai” (kade van beton, soms is Drents moeilijker dan Noors) van 26 meter gemeld. Djönno blijkt een plukje van ‘n stuk of vijftien verspreid staande huizen onderaan de berghelling. Een betonnen kade bekleed met verrot berghout. Prachtig. Een schilderachtig stil plaatsje om de anderen te ontvangen. De auto kan er straks ook staan. En goed beschut voor zo’n bui als zojuist. Tilman wordt met twee landvasten en twee springen vastgelegd. ‘N enkele bliksemflits en ’n paar donderslagen. Dan de regen. En wind. Grote schrik. Want de bui en steeds meer wind valt over het zadel tussen twee hoge bergen aan de andere kant van de misschien twee kilometer brede fjord naar beneden, naar ons toe. En met de wind de golfslag. Die neemt snel toe. In plaats van beschut liggen we heel beroerd; aan lagerwal. ’N minuut of 10 geleden legden we aan in een tegen westen- en noordenwind beschut baaitje en was de wind noordelijk; nu zuidoost. Toch die verdomde val­win­den? Een bui, met wind die van de bergen en de Hardanger Vidda komt? Het regent en waait hard. De boot slaat door de golfslag tegen de steiger. Daar helpt geen stootwil tegen. We moeten los, het water op. Leida start de motor. Maar helaas; wegvaren van lagerwal met rotsen van onvolprezen Noorse kwaliteit graniet voor en achter de boot is volstrekt onmogelijk. Ook niet met de kunstgrepen “uit het boekje”. Een knal en gekraak. Ja hoor. Een deel van het teak van de voet­lijst is in de lengte gescheurd en breekt af. Met alleen mijn slippers en ‘n korte broek aan probeer ik met de moed der wanhoop de boot af te houden. Zittend op het lagere deel van het kajuitdak kan ik met mijn voeten en hand steeds als de boot door een golf tegen de oude balken van de steiger aan geslingerd wordt, de klap ten dele opvangen. Dan, na weer zo’n door mij wat verzachte worp tegen het verrotte steigerhout breekt dat in zijn geheel af en dondert de hele houten bekleding van de steiger in het water. De situatie is nu nog vervelender; de rand van de betonplaat, waaruit de zwaar verroeste stalen bevestigingspennen van het afgebroken hout steken, ligt ter hoogte van de scepters of ietsje hoger naast de boot. Maar de boot kan met de scepters of stagen gemakkelijk alsnog tegen het beton of de pennen gesmakt worden. Heel goed uitkijken om niet met voet of hand beklemd te raken tussen het beton en de 5 ton boot.

 

De hele affaire van het afhouden duurt alles bij elkaar misschien 10 minuten, hooguit een kwartier. Het lijkt een dag te zijn. Ik ben nat en verkleumd in alleen mijn korte broek, mijn mond is droog. Maar de wind gaat liggen. Gelukkig, gelukkig. Nu alleen nog regen. Maar dat geeft niks. Het ziet er niet uit, die voetlijst met een stuk uitgebroken teak. Maar het is alleen schoonheidsschade. Repareren kan ik zelf; in het najaar of winter.

‘N man met z’n dochter van ’n jaar of 14 in een bootje. Pa roeit terwijl dochtertjelief tevergeefs probeert de buitenboordmotor te starten; de generatiekloof in een fraai gesitueerd beeld. Echt pech zeggen ze. Pas de tweede keer dat het onweert dit jaar. En dan ook nog deze bui die met zoveel geweld van de bergen door het dal hier recht tegenover de fjord omlaag kwam vallen. “Winds, sometimes from the mountains”. Het feit dat de steiger verwoest is wuift hij weg. Dat is uw zorg niet. Dat ding was totaal verrot. Schande dat de “kommune” (de gemeente?) ‘m niet heeft onderhouden. Bezuinigingen. Hmmm; klust Zalm hier bij? Ze roeien tevergeefs tussen het ronddrijvende wrakhout van de steiger om het teak van mijn boot te zoeken; ook tot onder de betonplaat van de steiger.

 

Een zwarte auto op de weg langs de fjord. Jawel hoor. Ze zijn het. Op tijd voor het diner. Een leuk welkom. Waarom waren jullie er niet drie kwartier eerder? Had je wat spectaculairs kunnen zien.

 

De volgende dag tot de avond met z’n viertjes op Tilman. In prachtig stil weer varen tot het echte einde van de Fjord. Waar al die leuke herinneringen aan de “rugzak-zwoeg-tochten” liggen. Daarna, in Kinsarvik, nemen Leida en ik de auto en gaan kamperen en wandelen. Over ’n kleine twee weken zien we elkaar weer. Dan zullen Alef en Marjon met de boot hopelijk ergens in de buurt van Stavanger zijn. Daarheen komen de twee andere jongens waarmee ik de boot terug naar Wageningen zal zeilen.

 

 

Tilman in de Lysefjord ten oosten van Stavanger. Een paar dagen voor de terugreis  over de  Noordzee.

 

Áls die bui een uur had geduurd in plaats van ’n kwartier, áls de golfslag zich verder had opgebouwd, áls de boot één keer bij een flinke golf met een stag tegen de betonplaat was gesmakt en dus de mast was … Áls… Hadden we geluk dat het niet erger was of pech dat er zo’n bui kwam? Het eerste natuurlijk. Nooit te oud om te leren. Dit jaar was, na 1999 en 2000 onze derde zeilvakantie naar de zuidwestelijke Noorse fjorden. Terecht, die waarschuwingen om niet te ver zo’n fjord in te gaan. En ik had bij een naderende bui niet moeten aanleggen. Al was het een beschut lijkend plaatsje. Bij veel wind en dus golven moet je óf in een echt tegen golfslag beschutte háven liggen óf op diep water blijven en varen. Dat is veel veiliger dan ergens aan een rotsoever. Tegen water aan beuken kan ’n goed zeilschip hebben, vindt ie lekker zolang het niet te erg wordt. Tegen graniet of beton niet. Eigen schuld dikke bult. Van je fouten leer je.

 

Peter Burghouts

 

Als mogelijke “voetnoot”: aan jullie ter beoordeling of er plaats is of interessant genoeg om op te nemen:

 

Voor de geďnteresseerden: de meest extreme vorm van verschijnselen als valwinden zijn de beruchte “Willywaws” in Vuurland, het zuidelijkste deel van Zuid Amerika. Charles Darwin die daar met de Beagle op ontdekkingstocht was en de oorspronkelijke bewoners als uiterst primitieve – eigenlijk nauwelijks - mensen beschreef, had er last mee. Ook mijn held, Harold Tilman, beroemd bergbeklimmer, arctisch zeilheld en ontdekker die daar ’n jaar of vijftig geleden rond zeilde en bergen beklom in toen niet eerder betreden vergletsjerde gebieden. Eerde Beulakker (o.a. columnist in de Waterkampioen) schrijft in zijn zeer lezenswaardige “Naar Koude Kusten” over het verschijnsel Willywaw.