Vada Varia, nr. 2 2005

 

 

 Henk vertelt

Deel 4

 

Henk de Jager, een prominent havenlid, is niet alleen bekend door zijn activiteiten voor VADA. Hij is ook een boeiend verteller. Met een bewogen vaarverleden. Over het beroep van sleepbootkapitein. En over zijn vader en opa die dat ook waren.


Henk de Jager / Peter Burghouts


 

Aflevering 4: Wat als…

 


Zomer 1970. We werden gebeld door een sleepagent. Voor een klus in Baren­drecht. Na de bouw van de Heinenoordtunnel moest de brug daar, over de Oude Maas, worden ge­sloopt. Het sloopbedrijf dat ons in huurde was bezig de pijlers van die oude brug op te ruimen. Die bliezen ze op. Je kent dat wel. Met van die gecontroleerde explosies. Hier vloog het puin alleen zijwaarts weg, niet voor of achter de rivier op.

 

Overdag, als ze daar bezig waren met die pijlers, verrichten wij hand- en spandiensten; ’n anker verzetten, mannen overbrengen, bakken en andere vaartuigen naar hun plaats slepen, materialen aanvoeren … dát soort dingen. Na de werkdag van de slopers kwam onze belangrijkste klus. Dan moesten we die grote bakken, waar ze met een kraanschip het puin van de pijlers in gestort hadden, wegslepen. We moesten er mee door een stukje Oude Maas en het Spui naar het Haringvliet. Daar, bij de Hoornse Hoek, vlak bij Hellevoetsluis, was een diepe put waar het gestort werd. Dat gebeurde door “de bak te klappen”; door de schuiven onder in de bak open te zetten en het puin in het water viel. Daarna moesten wij die bak weer terugbrengen naar de brug bij Barendrecht.

Dat slepen met die bakken was geen kleinigheid hoor; grote zware en moeilijk manoeuvreerbare bakken door heel vervelend water. Dat klinkt gek nu, als ik zeg ‘vervelend water’. Maar dat komt zo: het Haringvliet was pas net afgesloten. Voorheen kwam bij het wisselen van het tij bijvoorbeeld de vloed zowel vanuit het Haringvliet en Spui naar de oude Maas als vanuit de Waterweg. Dat ging al eeuwen zo en de geulen en platen waren daarop gevormd. Maar na het sluiten van het Haringvliet werd dat ineens totaal anders. De vloed kwam nu vanuit de Waterweg en de Oude Maas het Spui in terwijl de geulen en platen daar nog niet op gevormd waren. Het gevolg was dat er vrij onvoorspelbare stromingen en kolkingen in het Spui en het stukje Oude Maas stonden en wij vaak met het zweet in de handen voor zo’n enorme bak lagen te trekken en te manoeuvreren om te voorkomen dat ie dwars kwam of nog erger.

De tweede of derde dag dat wij er werkten waren de slopers bezig met de middelste van 3 pijlers. Ze hadden geboord en de 60 kilo springstof aangebracht, het verkeer werd (even) stilgezet en toen, in de vroege ochtend, zou het gebeuren. Inderdaad. Een zware doffe explosie, grote stofwolken en de pijler was weg. Maar Rijkswaterstaat ging controleren en meten en toen bleek dat de voet van de pijler, een meter of anderhalf onder water, was blijven staan. Het sloopbedrijf besloot er een wrakschip boven te leggen en eerst de andere twee pijlers op te blazen. Wel werd natuurlijk zoveel mogelijk puin uit het water geschept en door ons met de bak afgevoerd.

 

Voor de volgende pijler werd besloten de hoeveelheid springstof te verdubbelen; 120 kilo. En ze zouden nu boren tot helemaal onderin. Het was op een dinsdag. Het spul was verpakt in kistjes met porties van 10 kilo. Met drie of vier vrachtwagens gebracht. Weet je wel, met zwaailichten, politie erbij en zo. Het spul werd op een bakkie, ’n soort dekschuit, gezet en wij brachten het ter plaatse. Ik had het niet zo breed toen we dat spul in die rotstroom daar naar de pijler brachten. Die explosievenjongens hadden eerder de boorgaten gemaakt en gingen dat dynamiet pas op het laatst plaatsen. Ze hadden gepland de pijler om precies 11 uur op te blazen. Rijkswaterstaat had net het wrakschip weggesleept dat boven de stomp van de middelste pijler lag omdat het anders zo dicht bij de ontploffing beschadigd zou raken. De explosieven waren voor de helft geplaatst. De andere helft stond nog op het dekschuitje naast de pijler. Ze waren er nog mee bezig. Wij lagen op enige afstand te wachten. Één kant van de rivier was dus ongedekt. Op dat moment kwam er vanaf die kant met hoge snelheid een grote moderne Duitse coaster aan varen. Met de vloed mee. Die had natuurlijk in de scheepsberichten gehoord dat er om elf uur zou worden geplofd en wilde er nog snel door vóór het vaarwater gestremd zou worden. We realiseerden ons meteen dat het mis ging maar konden niks meer doen. We zagen het schip even hellen toen hij een beetje bijstuurde om de doorgang te kiezen en toen zijn koers kiezen naar de breedste doorvaartopening. Recht op plaats af dus waar het restant stond van de gedeeltelijk opgeblazen pijler. Hij voer er kennelijk precies midden op. Want we zagen de kop van die boot omhoog komen en daarna de coaster bonkend over de pijler heen stuiteren. In vrijwel rechte lijn. Enorme consternatie natuurlijk. Het was gelukkig een moderne tanker, dubbelwandig. Kennelijk niet lek geslagen. Nog in staat te varen. Hij is meteen doorgegaan naar de werf in Dord. En de voorbereide opblaasactie van de pijler is, wel met een kwartiertje vertraging, doorgegaan.

 

Ik weet niet hoe het is gegaan met de schadeclaims. Maar wel dat de emoties bij iedereen pas later op die dag los kwamen. Ook bij die geharde jongens van de explosieven. Wat had er kunnen gebeuren als de coaster niet precies midden over dat stuk pijler was gevaren? Wat als het schip met de zijkant van de boeg op de restanten van de pijler was gekomen en de boeg opzij gekwakt zou zijn naar de pijler waar de opblaasploeg, ’n man of zeven, nog aan het werk was en de helft van de 120 kilo dynamiet op dat moment nog op het dekschuitje stond?

 

Wij hebben er nog een week of twee gewerkt. Omdat we na de gewone werktijd nog met die bakken naar de Hoornse Hoek moesten en terug zagen we in dat we er misschien wel goed mee zouden verdienen maar we dit niet zouden kunnen volhouden. Er waren toen nog niet, zoals nu, allerlei wettelijke bepalingen. We waren zo’n 18 tot 20 uur per dag in touw. En dat was ook voor ons te veel. Bovendien was het zo’n ruig zootje bij dat sloopbedrijf dat we eerlijk gezegd ook nogal wat zorgen hadden over de uitbetaling. Zouden we ons geld, met name al die overuren, wel krijgen? Ik dus naar die uitvoerder om te zeggen dat we er mee stopten. Ik zal dat nooit vergeten. Maar hij begreep het wel en zei dat ‘ie ‘t jammer vond; we deden het goed. Ik beloofde ‘m dat ik via mijn sleepagent een ander sleper zou regelen. De afhandeling was kort. Hij vroeg: “wat krijg je van me?” Ik haalde het lijstje met de uren en het totaalbedrag. Tot mijn verbazing haalde hij een portefeuille uit z’n zak en telde zonder blikken of blozen het volledige bedrag in bankbiljetten voor me neer. Ja. Mooi. We zijn nog nooit zo snel en zo soepel uitbetaald. Zo zie je. We waren achterdochtig, een beetje bevooroordeeld door de rauwe manier waarop het er daar aan toe ging.

Ons oordeel over de zwaarte van de klus zélf bleek niet zo slecht. Een paar weken later hoorde ik op de radio dat een van de bemanningsleden van onze opvolger verdronken was toen de sleper in die stromingen en kolkingen op het Spui problemen had gekregen met de bak die hij sleepte, ‘m misschien tegen het hek had gekregen en was gekapseisd.

We hebben er nog vaak aan teruggedacht. Met gemengde gevoelens. Wat als…

 

Henk de Jager / Peter Burghouts

 

 

Het maken van deze serie verhalen in VADA-Varia is aanleiding geweest voor een verdere verwerking van de herinneringen van Henk de Jager. In boekvorm. Enthousiasme voor zijn verhalen - niet alleen binnen de familie - en professionele mogelijkheden dicht bij de hand, hebben er toe geleid dat een boek zal verschijnen met als titel ‘Lekkoo’. Een boek over gebeurtenissen in het leven van Henk; zijn jeugd, de herinneringen aan zijn vader en opa, de oorlogsjaren met het bombardement op Rotterdam waar ze toen woonden, zijn slepersleven met vrouw en kinderen en natuurlijk het einde van zijn werkend leven op de pont bij het Lexkesveer. Het boek zal waarschijnlijk in de tweede helft van 2005 (september?) verschijnen.

We houden u op de hoogte.