|
|
Vada Varia, nr. 2 2007
|
|
|
De terugtocht
“In een vorig nummer is het verslag
te vinden van mijn tocht naar Giethoorn, waar de punter bij de punterwerf van
Wildeboer tegen “boutziekte”
zou worden behandeld. Die behandeling had inmiddels
plaats gevonden en “Deinemeid” lag in Giethoorn te
wachten tot ze naar Wageningen zou worden gevaren. Het
besluit voor de terugtocht werd plotseling genomen op maandag 12 maart, met
de fiets wachtend op de pont van Opheusden:
prachtig lenteweer met een rivier die als het ware tot varen uitnodigde: een sterk
gevoel van “zat ik maar op het water”.
Thuis
gekomen benzine halen in de tankjes van 10 en 5 liter, buitenboordmotor,
luchtbed, slaapzak, toiletgerei, eten voor enkele dagen, zeilen, schoten,
vallen, enz., ingepakt en de volgende morgen bijtijds in de auto geladen. Nog
steeds prachtig lenteweer met een voorspelling dat het nog enkele dagen zo
zou blijven. Bij Wildeboer alles in de boot gebracht, auto laten staan en
om 11.20 uur voeren we (Deinemeid en ik) door het
smalle slootje dat de werf verbindt met het Kanaal Beukers-Steenwijk.
De bruggen over het kanaal hoeven voor ons niet open want met de mast in de
boot en de vlag niet op het roer hebben we genoeg aan ongeveer 70 cm
doorvaarthoogte. Prachtig zonnig weer, niet veel wind en ongeveer 13 graden.
Met een kleine 8 km/uur passeren we de brug bij de Blauwe Hand om 12.10 uur
en het wordt me duidelijk dat ik bij de Beukerssluis
wel even zal moeten wachten tot de sluismeester klaar is met eten want zijn
lunchpauze is volgens de Wateralmanak van 12 tot 13 uur. Om kwart voor een
liggen we voor de sluis en al gauw gaan de lichten op groen. Het eten was dus
al gedaan en de sluismeester vraagt me al schuttend of ik vandaag nog terug
kom. “Nou, nee, ik ben op weg naar Wageningen”. “Je hebt
mooi weer, maar vandaag zul je dat wel niet halen. Denk je dat je onder de
brug door kan?” “Ja, ik
denk dat het net gaat”, was mijn antwoord, maar ik hield er geen rekening mee
dat ik in de sluis ook nog zo’n 15 cm omhoog kwam.
Toen de sluisdeur open was bleek mijn voorsteven net 1 cm te hoog en werd de
brug dus toch geopend. Om 13.05 uur was ik in het Meppelerdiep,
varend in de richting van Zwartsluis. Bij de Meppelerdiepkeersluis
onder de brug moet ik denken aan het verschrikkelijk
onweer dat me hier op de heenreis onderdoorblies. Het
Zwarte Water voert me langs Genemuiden naar het
Zwolse Diep waar de golfslag van het Zwarte Meer me doet voelen dat er toch
nog wel wat wind staat en als de zon achter een wolkenbank verdwijnt, is het
merkbaar nog geen zomer. We houden de vaargeul omdat we niet tussen de
biezenvelden willen verdagen en eenmaal bij de Zwarte Hoek onder de dijk van
de N.O.-polder gekomen is de golfslag verdwenen en strekt het eindeloze Ramsdiep zich voor ons uit. Nu had ik
ruim de gelegenheid om nog eens goed op de kaart te kijken, want van enige
scheepvaart was nauwelijks sprake, maar een merkwaardig meetvaartuig(?) van
Rijkswaterstaat vaart aan bakboord buiten langs de boeien, keert en draait,
vaart dan weer een stuk verder, keert weer, en blijft zodoende ongeveer op
onze hoogte voortdurend
actief. Tenslotte vaart hij vooruit en gaat aan een
loswal kleine rode boeien laden, mogelijk betonning voor de pleziervaart, die
buiten het seizoen gewoonlijk wordt opgenomen. Na die loswal had ik ook nog
tijd genoeg om op de kaart te zien dat we anderhalve kilometer voor de Ramspolbrug bakboord uit moesten. Eenmaal onder de brug
door grijp ik de kaart en zie dat we in het Ramsdiep
in plaats van de Ramsgeul varen en dat we tot
Schokkerhaven moeten doorvaren voordat we het Ketelmeer kunnen oversteken. Misschien achteraf toch een goede koers, want nu kan ik in
beschut water onder Schokkerhaven benzine bijvullen en hebben we bij de
oversteek van het Ketelmeer de deining achterlijker dan dwars. De kunst is nu om de ingang van
het Drontermeer te vinden. Betonning voor de
pleziervaart is er nog niet en een kleine doorvaarthoogte is makkelijk bij
bruggen, maar als je laag op het water zit is het moeilijk om op zo’n grote plas de betonning te zien. Ik zie dus helemaal
geen tonnen en probeer me te oriënteren op de bebossing aan de overkant op
Flevoland. Na een poos varen en voortdurend turen krijg ik de bakens van de
monding van het Keteldiep in zicht en dan is de knobbeldeining voor de
monding van de IJssel
nog even onaangenaam voordat de beschutting van het Roggebotse Bos wordt gevonden. De tijd staat niet stil en
de Roggebotsluis wordt tot 18 uur bediend. Nog vier kilometer naar de sluis en het is half zes geweest. Een
kilometer voor de sluis vaart ons een binnenschip voorbij en ik hoop dat ik
misschien met hem nog net door de sluis kan. Om 18.05 uur vaar ik de sluis in maar er is niet veel
ruimte dus vaar ik “Deinemeid” een beetje onder het
achterschip van het binnenvaartuig, wat aan de man die dit aan het afmeren is
de opmerking ontlokt: “Nou, u maakt het wel spannend, meneer!” We blijken in een sluis te liggen
die op afstand wordt bediend; er is hier geen sluiswachter meer aanwezig. De
schipper zegt op mijn vraag hierover dat hij zich heeft gemeld en dat we maar
moeten afwachten wat er gebeurt. Na een poosje klinken er signalen en de deur
gaat vlak achter ons dicht. We zakken een endje en de “voordeur” gaat open.
Het Vossemeer hebben we achter ons gelaten; het Drontermeer ligt voor ons. Vol goede
moed varen we even in het kielzog van het binnenvaartuig, maar dat is al
spoedig aan de horizon verdwenen en ik vraag me af waar overnacht gaat
worden. Het meest aantrekkelijk lijkt me Elburg:
afmeren en lekker gaan eten in een hotelletje en daar ook slapen, maar na een
poos varen en nog eens kijken op de kaart lijkt die sprong te ver. Het begint
te schemeren en ik heb geen boordverlichting. Als na nog enkele kilometers
aan stuurboord een verlicht strandpaviljoen te zien is, besluit ik daar een
hapje te eten en dan maar in de boot te overnachten. Ik heb tenslotte een warme slaapzak bij me. De motor uit en
bomend door het zeer ondiepe water naar een steigertje dat voornamelijk uit
losse planken bleek te bestaan. Voorzichtig hierover op de wal en via het
terras naar de deur, die gesloten was. Er zitten
binnen drie mannen aan een tafeltje te praten en een ervan opent de deur voor
me. Ik vraag of er een hapje gegeten kan worden. “Nee, meneer,
onze keuken gaat over veertien dagen pas open, maar als u met uw bootje hier
wil overnachten is dat in orde. Pas op het steigertje! Blijf zoveel mogelijk
in het midden”. Na nog
met zijn mobiel naar huis gebeld te hebben (de mijne
was door de kou bevangen), wat ik niet mocht afrekenen, aanvaardde ik de
terugtocht over het steigertje naar “Deinemeid”
voor wat de op een na koudste nacht van mijn leven zou worden. Het was nu
donker, dus eerst het dekzeil over de boot. Dan een paar boterhammen klaar
maken en wat eten en drinken en de slaapkamer in orde maken: luchtbed
opblazen, slaapzak uitrollen, pyjama aan, slaapmuts(!) op en nog even naar de
sterrenhemel kijken. Het is daar lekker donker, dus er is .een magnifieke
sterrenhemel te bewonderen. Dat betekent ook een flinke uitstraling en dus
een koude nacht. Van slapen kwam niet veel. Iedere keer zo
liggen dat er geen kou de slaapzak in komt; de slaapmuts op het hoofd houden
tegen de afkoeling en merken dat je toch niet warmer wordt. Het lijkt
alsof de watervogels niet slapen, want er zijn voortdurend allerlei piepende,
krassende, knerpende en tutende geluiden te horen
en dat gaat steeds maar door. Langs de Drontermeerdijk
razen regelmatig auto’s voorbij. De uren kruipen voort en de temperatuur
daalt en helaas de mijne ook. Tenslotte ben ik zo koud dat ik denk dat ik ’s morgens helemaal
niet meer zal kunnen bewegen als ik nu niet opsta. Het blijkt vier uur en ik
kleed me aan, ruim rillend de beddeboel op, zoek de
gasbrander en het waterketeltje en ga thee zetten. Brood klaar maken voor nu
en voor de lunch; koffie zetten en in de thermoskan gieten voor de lunch,
daarna alles weer opruimen en als ik mijn hoofd buiten het dekzeil steek
wordt het al lichter in het oosten. Het dekzeil wordt opgerold, de trossen losgesmeten en bomend zoek ik de vaargeul. Het is nu
licht genoeg om de volgende boei te zien; een ruk aan het startkoord en de
motor duwt “Deinemeid”
langs de eilanden “Reve” (naar Gerard?), “Abbert”
en “Eekt” in de richting van Elburg.
Daar
krijgt de maansikkel in het laatste kwartier gezelschap van een bloedrood
segment aan de kim: de opkomende zon. Na het
passeren van de brug zie ik aan stuurboord bij Jachthaven “Rivièra” een benzinepomp aan de wal staan, maar het is
nog veel te vroeg, dus moet het tanken maar wachten. Allengs
komt de zon hoger en worden zijn stralen warmer; er is weinig wind, meestal
uit westelijke richting. Het Veluwemeer
strekt zich in zijn oneindigheid voor ons uit. Laag over het water turend
lijkt het alsof de eilandjes aan de horizon een beetje onder de horizon
liggen. Zou de kromming van de aarde hier al zichtbaar zijn? Bij Harderwijk
moet ik me even realiseren dat de situatie sinds de laatste keer dat ik hier
was drastisch veranderd is. In plaats van de sluis nu eenvoudig onder de brug
door en dan tanken in Zeewolde lijkt me een goed
plan, maar ter hoogte van Zeewolde lijkt het me
toch beter door te varen naar Strand Horst, waar de vaargeul vlak langs
loopt. Er vaart hier een pont in de vorm van een afgeknotte rondvaartboot
heen en weer. Op de
meldsteiger bij strand Horst staan twee pompen: diesel en benzine. Melden bij
de havenmeester luidt het devies. Deze, in de vorm van een dame bevindt zich
in een riant havenkantoor dat in een soort starttoren na het beklimmen van
enkele trappen bereikt kan worden. Zij geeft de pomp vrij, ik kan tanken en
daarna afrekenen. Zij beaamt mijn opmerking dat ze een prachtig uitzicht over
het water heeft en verwondert zich erover dat ik in de boot heb overnacht:
het had gevroren. “Ik begin nu net weer een beetje op temperatuur te komen”,
is mijn antwoord. Om half twaalf varen we weer over een bijna rimpelloos Nijkerker Nauw. In de
sluis bij Nijkerk stijgen we weer anderhalve decimeter, passeren het
stoomgemaal “Hertog Reynout” en zien bij Spakenburg
de eerste zeilboot onder zeil. Heel in de verte is het bosje zichtbaar op de
“Dode Hond” en
langs de Eemmeerdijk draaien enkele van de
windturbines in het flauwe windje. Onder de Stichtse Brug door verlaat ik de vaargeul en vaar langs
het Huizer Hoofd. Bij Naarden
is het tijdelijk windstil en over de spiegelende watervlakte loopt een zwakke
kruisdeining die wonderlijke patronen op het water tekent als een bewegende
ets van Esscher. Eindelijk vinden we de boeien van
de vaargeul weer en passeren de Hollandsebrug. Het
is vier uur geweest en de zeesluis bij Muiden sluit
om vijf uur. Dan blijkt het laatste stukje IJmeer om het Muiderzand toch
langer dan ik dacht en gun ik me geen tijd om benzine bij te vullen onder de
beschutting van het eiland Hooft. Er is wat
meer wind gekomen en de deining voor de haveningang (die ruim genomen moet
worden in verband met de lange oostpier die net onder
water ligt) begint hinderlijk te worden. Om tien voor vijf varen we tussen de
pieren en dan stopt plotseling de motor. Geen bezine
meer. Drijvend en dobberend tussen die pieren; er is gelukkig geen
scheepvaart, vul ik benzine bij en het is ruim vijf uur geweest als we voor
de zeesluis komen. De sluismeester, gelukkig nog aanwezig, ziet ons en vraagt
me of ik wist dat ik om kwart voor vijf bij de sluis moest zijn om nog
geschut te worden. Dat wist ik niet en mijn berustende opmerking dat “als het
niet ging ik dan maar tot morgen voor de sluis moest blijven liggen”, wekt
misschien meelij. “Waar moet u naar toe”, vraagt de sluismeester. “Naar Weesp”, is mijn antwoord en met een “Vooruit maar”,wordt de sluis half geopend en kan ik binnen varen. De
drie euro sluisgeld verhoog ik graag tot vijf, want even later varen we de
Vecht op. Afgemeerd bij WV “De Vecht” in Weesp
blijkt de havenmeester afwezig. “Als hij er morgen ook niet is, kan je rustig
wegvaren”, verzekert me één van de leden (vast niet de penningmeester). Nogmaals gevraagd aan een ander, zegt deze: stop maar een euro per
meter in een enveloppe en doe die morgen in de bus. Na een Griekse maaltijd
in een restaurant op weg naar het station, ga ik lekker warm thuis slapen. De
volgende ochtend de enveloppe in de bus gedaan en varen langs de twee
prachtige molens van Weesp de Vecht op. Het is weer
zonnig en we nemen de haarspelden bij Uitermeer en
Hinderdam. Het mooie kasteeltje “Zwaanwijck” ligt
aan stuurboord. Na Nigtevecht weer een molen aan
stuurboord,nog een bij Overmeer
en vlak voor Vreeland, waar we onder de brug door verder naar Loenen (weer een molen) en weer onder de brug door
eindelijk de Mijndense sluis naar de Loosdrechtse Plassen passeren. Nieuwersluis,
Breukelen, Nijenrode en dan het prachtige huis Oudaan, overblijfsel van een veertiende eeuwse ridderhofstad aan bakboord. De bruggen in Maarssen
hoeven ook niet open; de jachtwerf bij Oud Zuilen, waar ik vroeger wel eens
heb overnacht, is er niet meer. Daar liggen nu een paar grote rondvaartboten.
We varen
Utrecht binnen. Aan bakboord een lange rij woonschepen zonder ramen. Bij een
vorige gelegenheid heb ik me wel eens afgevraagd wat
die daar deden, maar een lange rij auto’s, die aan de andere kant stapvoets
voorbij reden en soms even stopten, doen me vermoeden dat hier de dames van
plezier wonen, of in ieder geval hun diensten bewijzen. Aan de langzaam
voorbij trekkende file
die met keerlussen aan beide kanten heen en weer trekt, valt te
zien dat er belangstelling genoeg is. De Vecht vernauwt zich en krijgt aan
beide kanten een betonnen schoeiing en lijkt nu
meer op een gracht. De Dom komt in zicht. Voor de David van Mollembrug ligt dwars een soort vlot, gevormd door enkele
dekschuiten. Zelfs “Deinemeid” kan hier onmogelijk
passeren, de doorgang is volledig versperd. Verder niemand aanwezig, geen
bord dat vermeldt wat er gaande is. Er blijft niets anders over dan te keren
en terug te varen. Bij scheepswerf Klop op de linkeroever krijg ik
desgevraagd te horen dat de brug wordt gerestaureerd en dat er tot 1 april
geen doorvaart mogelijk is. Een mogelijkheid om verder te kunnen is de sluis
bij Maarssen naar het Amsterdam-Rijnkanaal. We varen terug naar Maarssen en
nu is hert te laat om nog verder te varen. Deinemeid
wordt afgemeerd bij de Termeerbrug; ik ga benzine
halen, leg het dekzeil over de boot en loop naar het station om thuis te
overnachten. Telefoneren
met Rijkswaterstaat over de doorvaart van de sluis bij Maarssen, die wel open
staat, maar rood licht geeft, l Achter me
nadert een duwschip zonder bakken ervoor, met een
meters hoge snor voor zijn brede kop. Hij trekt zeer steile rollers met zich
mee. Maar als hij naast me komt houdt de schipper even in, zodat de koppen
van de golven gaan en we niet overspoeld raken. Vervolgens weer tegenliggers
en zo steigeren we verder naar de splitsing bij Heemstede waar we bakboord
uitgaan en het drukste deel: het Lekkanaal verlaten. Echt prettig varen tussen de
damwanden is het hier ook niet en één van de tegenliggers veroorzaakt dermate steile golven dat “Deinemeid”
voor het eerst groen water over de kop krijgt. Maar de afstand tussen de
tegenliggers is tamelijk groot zodat er perioden zijn dat de golfslag
draaglijk is. Er zit zowaar een gele kwikstaart op de beschoeiing en de Schalkwijkse spoorbrug doet me mijn fototoestel grijpen;
deze is mooi van verhoudingen. In de verte doemen langzaam de Irenesluizen op en als ik er aankom blijkt er een poos
geen beroepsvaart te zijn, want de lichten blijven rood. We liggen op de immer doorstaande golfslag tegen de damwand op en neer te
gaan en het afhouden wordt op den duur wel vermoeiend. Na een
half uur gaan de lichten van de linker sluis op groen en als ik er in vaar
zie ik achterom kijkend in de verte een schip aankomen. Het lijkt me niet
raadzaam om de sluis weer uit te varen en dan achter hem aan te sluiten, dus
vaar ik ver naar voren in de sluis. De schipper blijft met zijn schip achter
in de sluis en zo worden we geschut. Als de hefdeur naar de rivier omhoog
gaat komt er een geweldige stroom water uit en die stroom houdt aan, ook als
de lichten op groen gaan. Met mijn regenjack over m’n
hoofd getrokken onderga ik deze onvrijwillige douche bij het uitvaren van de
sluis en ik vraag me af of er een sluismeester is die geweten heeft dat er een klein puntertje door de sluis gekomen is.
Rond de post Wijk bij Duurstede van Rijkswaterstaat blijkt er flinke stroom te
staan op de Lek die daar Rijn wordt. Rond vijf uur meld ik me bij de
havenmeester van W.S.V. Rijn en Lek in het
clubhuisschip die “Deinemeid” een plekje geeft voor
de nacht. De
volgende morgen staat er een harde westenwind en op weg naar Wijk regent het
zelfs even, maar eenmaal bij de boot is het droog. Kennelijk beschikt “Rijn
en Lek” over een zaterdagploeg, zoals “VADA” over een dinsdagploeg, die aan
het werk gaat, terwijl wij weer naar de Rijn varen. Na een poosje richting
Amerongen te hebben gevaren zie ik een groep ganzen, allemaal lichtbeige van
kleur met weinig zwart achter de witte kop en een witte lengtestreep op een
donkere hals. Een binnenvaartschip loopt ons voorbij, daardoor hoef ik me
straks bij de sluis niet te melden en hij ligt inderdaad nog te wachten op
het openen van de sluisdeur als we de sluis naderen. Achter hem varen we de
sluis in. Daarna komt nog een binnenschip en een motorboot aanvaren die ook
meeschutten. Eenmaal door de sluis vliegen twee zonet beschreven ganzen vlak
over zodat ik ze goed kan bekijken. Het blijken Indische ganzen te zijn. Voor
mij de eerste keer dat die ganzensoort zie. Met
stroom tegen en harde wind in de rug gaat het op Wageningen aan. Midden op de
rivier lopen flinke rollers en soms surft “Deinemeid” met schuimende boeggolven eroverheen. De veren
van Amerongen en Ingen worden gepasseerd en de Cuneratoren komt in zicht. Zo nu en dan komt een
dreigende lucht opzetten, maar de wind houdt het droog en tegen twee uur
hebben we Wageningen bereikt. Daar ligt “Deinemeid” weer aan de steiger en een periode van afzien,
want dat is het als je op de haven bent en je boot ligt er niet, is voorbij.
|