|
|
Vada Varia, nr. 2 2008
|
|
|
Small is beautifull Column
door G B Rom
Na het in deze reeks eerder beschreven tijdelijke afscheid
van mijn boot had ik vorig jaar ineens zin om weer eens ’n schip te kopen.
Kan je zo hebben hè? Maar ja, toen ik bij mijn laatste baas, na 30 jaar
trouwe dienst en ’n jaar of anderhalf kwakkelen vertrok, bestond mijn gouden
handdruk uit een cadeaubon van € 25. ik ben eh… nou
ja… ik moet dus op de kleintjes letten. Op
Marktplaats bij “Kajuitzeiljachten” stond dat kleintje. Het mirakel is twee
en een halve keer zo lang als ik hoog ben, heeft een heuse kajuit, is laag gebouwd
en steekt toch maar ’n halve meter. En, jazeker, stahoogte. In de kuip dan, als ik de kraanlijn flink doorzet zodat de giek
steil omhoog staat. Deze wonderlijke Scandinavische combinatie van
kenmerken heeft in zijn rondingen een erotische uitstraling. Desondanks ben ik, na al 12 maanden de trotse eigenaar te
zijn, maar één keer volledig, van top tot teen dus, in de kajuit geweest. Er
in komen ging nog wel. Lukte binnen ’n minuut of twee. Kleinbehuisd zijn ben
ik gewend. Van mijn rugzaktent “Mudknee”. Dat is
een in arrogante bewoordingen aangeprezen “ruime 2-persoons North Face climber mansion” van slechts 1483 gram
(exclusief de condens op de haringen)” die van me eist dat ik eerst in het
gras, de modder of het puin ervóór ga liggen om dan op teen- en vingertoppen
achteruit naar binnen te schuifelen. Had ik dat in die boot ook maar gedaan.
Want toen ik na mijn moeizame entree binnen in mijn nieuwe schip de leesbril
had opgezet om alles te zien - tamelijk snel ging dat - wilde ik er weer uit.
Maar ik was té nieuwsgierig, té onnadenkend geweest en met mijn hoofd eerst
naar binnen gegaan. Zo’n uur of twee heb ik gedacht
de rest van mijn leven daar te moeten slijten. Voorbijgangers op de steiger deden of ze me niet om hulp
hoorden roepen maar zeiden wel dat zij de bolle flanken van de boot zagen
bewegen als de mooie strakgespannen buik van een zwangere schone die binnen
niet al te lange tijd een toekomstig slaafje voor de opvolger van Marco van
Basten gaat baren. Intussen zag ik voor het eerst sinds mijn pubertijd weer
eens zonder opwindende hulpmiddelen hoe alles er bij mij van heel dichtbij uitziet
– niks bijzonders hoor, geen opwinding veroorzakende
vergroeiingen – en ervoer hoe moeilijk het was mijn benen weer los te krijgen
toen die met een paalsteek aan mijn hoofd bleken te zijn geknoopt. Het grote
voordeel van die paalsteek, dat je ‘m gemakkelijk weer los krijgt als je dat
wil, bleek een loos verkooppraatje. Maar vooruit. Na ’n uur of twee hing ik
uitgeteld in de kuip over de overloop en het helmstokje te hyperventileren en
na te dampen. Tot mijn grote vreugde met al mijn ledematen er nog aan. Ze
scharnierden niet de verkeerde kant uit en op één na deden ze het ook
allemaal nog. Maar die ene is mijn nieuwe jácht niet aan te rekenen. Die
medeledemaat heeft al jááren wat onder de leden. Vrienden vroegen op de man af wat me toch bezielt om met
het klimmen der jaren – ik ben al geruime tijd de dertig gepasseerd - mijn
hobby weer zo klein beboot te gaan uitoefenen. Per
slot heb ik (had ik?) een grotere. Elders dan, sinds
vorig jaar. Maar mijn nieuwe schip heeft geen andere, voor mij relevante
beperkingen. Waarom zo nodig, nota bene als je ouder wordt, een steeds
grotere boot? Ook al doen de meeste watersporters dat; het is een mijns
inziens heel slechte voorbereiding op het VADA-namaals.
Je kunt beter afbouwen, een kleiner bootje nemen. Straks, achter je rollator in verzorgingshuis Avondrood, Samen Rusten of
Mijn Laatste Toevlucht, ben je ook kleinbehuisd. Goed om er in je boot vast
aan te wennen. Het andere argument, mijn imago. Inderdaad, met dit bootje
straal ik bij de massa niet uit het gemaakt te hebben
in het leven. Maar ja, dat hoeft ook niet, dat weet iedereen al. Nee. Ik ben
niet zo trendy. “Small is Beautifull”
is een beroemd geworden kreet naar de titel van een opzienbarend boek(je) uit
1973 van de tamelijk grote econoom en dus ex collega E. F. Schumacher. In die 70-er jaren was
“Small is beautifull” in
sommige kringen net zo trendy als tegenwoordig het hebben van een grotere-boot-dan-je-buurman in sommige andere kringen of
het vandaag-niet-kunnen-roeien-omdat-ik-moet-golfen
in nóg weer andere kringen. Klein zijn biedt veel voordelen: hoe kleiner het bootje
hoe groter de ruimte om je heen (vrij naar Luns). Verder ben je in zo’n klein bootje nooit iets kwijt want je kán er niks in
kwijt, doen je handen het prima als peddel of als stootwil als de wal het
schip dreigt te gaan keren, hoef je nooit lang op de wachtlijst want de havenmeester
vindt altijd wel een verlaten eendennest waar ie jou kan neerleggen, heb je
na een gijpje misschien wel even hoofdpijn maar is
er in ieder geval daarna nog spráke van hoofd, kun je veel gemakkelijker
toenadering zoeken tot de Rijn (soms ook ongewenst), wordt ‘t gedoogd als je
- geheel in strijd met de regels - in de haven zeilt en vervuil je met het
niet zelflozende kuipje het oppervlaktewater niet als je het bij zwaar weer
in je broek doet van angst. Nadeel was voortaan te moeten ópkijken naar mijn buren in
de haven. Tegen opkijken heb ik een diepe weerzin. Eerst deed ik of ze lucht
voor me waren. Maar lucht zit boven; toch nog opkijken dus. Nu doe ik of ik
ze niet zie. Zij zien mij ook niet. Maar dat komt omdat ze om hun stootwillen heen, mijn schip niet meer kunnen zien. Waar ik (ik met klemtoon) op neerkijk in de reacties van
medeleden is de vraag of ik nou ook de Arnhem-Wageningen-race
ga winnen met dit wereldwonder. Nee natuurlijk. ’N
wedstrijd! Stel je voor. Ik zeil voor m’n
plezier, kan sowieso niet tegen m’n
verlies en zeker niet tegen hijgerige proleten om me heen die hun ego denken
op te krikken door “harder te kunnen” dan ik. Ik hoef dat helemaal niet, wil ruimte
om me heen en schep die desnoods door anderen weg te jagen of te bedreigen.
Ooit, om een vriend te plezieren, deed ik mee aan die race. Hij was
gewaarschuwd. En hij heeft het geweten. Ik moest aan het roer. Wij finishten
niet eens; hij greep in. Maar tóch had ik ruwweg de helft van het
deelnemersveld de stuipen op het lijf gejaagd, ’n kwart van de boten met een
daverende klap ongewenst intiem betast en er zo voor gezorgd dat de boot van
die vriend ook met een geheel nieuw model boeg terug in de haven kwam. Voor
mij dus geen wedstrijden meer. Als ik met Brom – zo heet ie – ga
varen wil ik ‘m alle hoeken van de haven laten zien, ‘n beetje aan de
touwtjes trekken, af en toe het roer eens flink omgooien, lekker onder zeil
gaan, anderen de loef afsteken als ze in mijn vaarwater komen, het af en toe
eens over een andere boeg gooien en zo klein zijn dat ik wel door eenden en
meerkoeten maar niet door paaiende brasems op voet van gelijkheid behandeld
word. Want voor mij geldt: small is beautifull. Wie het kleine niet eert is …. Heel goed. Nee,
met dit kleinood zal ik niet aan lagerwal raken. G.B. Rom
|