Vada Varia, nr. 2 2008

 

 

Rondje IJsselmeer

 

Alweer driemaal maakten wij sinds het moment, dat we vertrouwen hadden in onze zeilkunsten een “rondje IJsselmeer” met ons waarschip 570 “Otter”. Dat is toch altijd weer een kleine ontdekkingstocht, die ervoor zorgt dat de details lang blijven hangen. Daarom nu een verslagje van die laatste keer.

Meestal vertrekken we ná het hoogseizoen, dan is het overal wat minder druk, en liefst vóór het weekend, om al die leukerds met snelle boten of wat daar voor door moet gaan, te vermijden.


Han den Ouden


 

Nu was het al middag toen de het Wageningse verlieten, en we zaten net op de rivier toen ik bedacht dat ik al een hele tijd het oliepeil van de buitenboordmotor niet had gecontroleerd. Je weet dat het wel goed zal zitten, maar toch…... Dan maar even terug, aan de meldsteiger en effe checke. Dat viel tegen, niet het peil maar het feit dat kennelijk door de warmte de peilstok nauwelijks in en uit te schroeven was. Het afkoelen nam veel tijd en gepruts en dus lagen we die avond in het stille haventje van onze watersportvrienden in Arnhem, waar we normaal (maar dat is meestal ook al laat) in het grindgat tegenover Dieren lagen.

 

Het was nu mooi weer, en zo’n sightseeing tour over de IJssel is best leuk. Fraaie landschappen en huizen om te kwijlen. Het gaat nog snel ook met een stroom van gemiddeld 4 km/u mee. In de Zutphense Vispoorthaven vullen we onze reserve-brandstof even bij en daarna brommen we de rivier weer op. De spoorbruggen bij Zutphen en Zwolle gaan op ons vriendelijk verzoek altijd vlot open. Waar de rivier wat breder en trager wordt, gaat de genua op, maar met de motor standby. ‘s-Avonds parkeren we ons houten vioolkistje in het stille haventje van Hattem. Dat hebben we eerder ontdekt toen een jaar tevoren we de laatste heffing van de Zwolse spoorbrug op zondag (rond 18:00 uur) niet meer haalden. Leuk historisch plaatsje, en goed voor een stevige avondwandeling. We zijn van nature een beetje fietsers en wandelaars, en het is goed om de benen weer eens even te bewegen na zo’n dag stilzitten. Daarna kruipen we de kooi in en zijn vanwege het grote comfort in ons kleine bootje geneigd een groot gat in de dag te slapen.

 

We maken er nu een klein gaatje van en stomen na een lekker ontbijt weer richting rivier. We bellen meteen naar de spoorbrug en hoeven niet eens aan te leggen (wat daar best lastig is, aan zo’n paal in die enorme stroming), we kunnen zó door. Kampen komt snel in zicht. Dat is ook weer zo’n stad die we pas bezochten toen we op het water vakantie begonnen te vieren. We kunnen het niet laten om daar nog een dag rond te kijken, en dus leggen we weer aan in de Bovenhaven. Dat is een klein verenigingshaventje, overeind gehouden door een groep enthousiaste (veelal oudere) vrijwilligers. Het haventje ziet er perfect uit, gezellige kantine, eerste kopje koffie gratis, wat wil je nog meer (een tweede kopje)? In Kampen ligt de Kamper Kogge, een replica van een middeleeuws koopvaardijschip, afgemeerd in de Buitenhaven, bij een werfje en museum. Het schip is zeewaardig, maakte in 2004 z’n eerste “ommelandvaart”, langs de middeleeuwse handelsroutes bij Noord-Duitsland, Denemarken en verder de Oostzee in. Men bereidt op dit moment weer een hernieuwde ommelandvaart voor.

            ’s-Avonds geen kombuismaaltijd maar wokken bij de Gouden Brug (het zou kunnen, zo heet echter niet het restaurant, maar de brug zelf). Het kuipontbijt de volgende ochtend wordt een vrolijke boel, als zo’n dertig eenden menen dat er best wat broodkruimels van ons bootje af mogen vallen voor hen. Uiteindelijk vliegen ze zowat aan boord.

            We hebben onze voorraden nog wat aangevuld in het kleine supertje in de buurt en niet veel later laten we Kampen met een brede armzwaai naar de brugwachter achter ons. Tot de IJsselmonding valt er nog niet veel te zeilen, maar op het Ketelmeer wel. ’s-Avonds leggen we ons bootje tegen de wal bij het IJsseloog. Dat is een enorm slibdepot met een natuurlijke rand midden in het Ketelmeer. Het vormt een ideale beschutte ankerplaats en vanwege de steile zandige oevers leggen we de boot daar altijd met de boeg tegen de oever, landvast aan een pen of boom, en klaar is Kees. Er kan daar ook lekker gezwommen worden, maar soms zijn de rietvliegen wat lastig. Het is dan zaak zoveel mogelijk onder water te blijven. Het is een heel stille plek met een hoog natuurgehalte. Meestal komen er zo tegen de schemer nog een paar boten aan, die op ruime afstand hun ankers laten vallen. Het is heerlijk om zo, met een neut in de kuip gezeten, de nacht als een donkerpaarse deken te zien neerdalen. Daarna hoor je hoe groepjes eenden, zwanen en ganzen met elkaar contact houden in het donker.

 

De volgende ochtend is mooi, het landschap weer het perfecte decor voor een geniet-ontbijt. We bespreken de mogelijkheden op het IJsselmeer. In Stavoren waren we nog niet, en dat is nu goed bezeild. Op grootzeil en genua II draaien we achter het slibdepot langs naar de Ketelbrug ….en laten ons weer verrassen door de stevige Bf 5 wind. Er gaat een rif in het grootzeil en zo blazen we onder de brug door en zetten koers op Stavoren. Het is altijd even flink stuiteren bij de brug. Het is net, of daar alle golven van het IJsselmeer samen komen en er een feestje vieren. Bij Urk komt een rescueboot de haven uit en maakt tijdens het achter ons langs varen gebaren dat we verder van de kust af moeten. Er ligt een aardige ondiepte voor Urk, en verderop ligt een vrachtboot aan de grond te malen om los te komen. Reden voor de gebaren, dus. De dieptemeter geeft nog een geruststellende 2 m water onder de kiel aan, maar om de redders te laten zien dat we het begrepen hebben, loeven we flink op en gaan pas voorbij Urk weer op een noordelijke koers. Die koers is lastig te houden, want door de stevige vlagerige wind loeven we af en toe heftig op, en achterin lopende golven zetten soms via de spuigaten de kuip blank. Niet echt een “easy ride”, maar wel een snelle. Een kort verblijf in de kajuit voor koffie en een boterham is voor Anneke voldoende om zeeziek te worden.

 

Zo stuiteren we door, op een GPS-koers rechtstreeks naar Stavoren. Op de kaart 1810 van de hydrografische dienst (jaar oud) staat een boeienlijn, die de ondiepte van het Vrouwenzand markeert. De bedoeling is om bij de boeienlijn de boeien te gaan volgen naar de haven van Stavoren. We schrikken ons dan ook te pletter als het alarm van de dieptemeter afgaat. Een snelle blik geeft 3 dm onder de kiel aan waar het net nog 3 m was! Geen boei te zien! Een seconde later raakt de kiel in een (fors) golfdal de bodem al. Onmiddellijk loeven we op tot aan de wind en jakkeren weg van de ondiepte. Later blijkt dat Rijkswaterstaat een groot deel van de boeien in dit gebied uit bezuinigingsoverwegingen heeft opgenomen. Hartelijk dank daarvoor. De ondiepte beslaat een enorm gebied, het is onvoorstelbaar dat je daar kilometers uit de kust overboord kunt springen en gaan wandelen! Tenslotte arriveren we tot grote opluchting van Anneke in de knusse oude haven van Stavoren, waar we een prima plekje vinden, vooraan, tussen de palingvissers. Lui, in de zonnige kuip, met een bakje thee, is de zeeziekte snel vergeten. Het is daar een komen en gaan van de bruine vloot, leuk om te zien. De havenmeester komt op zijn fietsje langs en is blij verrast als hij weer eens een klein bootje ziet liggen. “Vroeger waren ze allemaal zo, maar nu….”, hij maakt een weids gebaar naar de achter hem liggende dure, spierwitte comfort-containers. Hij bevestigt het schaamteloos zuinige beleid van Rijkswaterstaat als we ons verhaal van de bijna-stranding doen. De confrontaties met het Vrouwenzand zijn van alle tijden, vele vissers zijn ons voorgegaan en het vrouwtje van Stavoren slaakte een zucht van verlichting toen ons bootje binnen kwam, denken we. Onze avond begint in een visrestaurantje, waar we ons tegoed doen aan een heel eenvoudig doch zeer voedzaam maal. De weersvoorspelling blijft zonnig, maar met vrij veel wind, en we besluiten een dagje over te blijven, om Stavoren eens goed te bekijken.

 

Een dag later is de wind niet veel minder geworden, en de richting onveranderd. Dat betekent kruisen naar ons volgende reisdoel: Enkhuizen. Voor het gemak hebben we de posities van een paar voor ons belangrijke boeien op onze route van de kaart overgenomen en in de gps opgeslagen. Onderweg blijkt dat ook deze boeien er niet meer liggen. Goed ding, zo’n oude kaart! De overtocht gaat ondanks het kruisen zeer vlot, en al snel liggen we voor Enkhuizen. Na het strijken van de zeilen varen we het havenfront langs op zoek naar een ligplek. Er zijn een aantal mogelijkheden, maar uiteindelijk varen we terug naar de Compagnies(jacht)haven en vinden daar –ook weer dankzij de geringe afmetingen van onze 570- een prima plek in een overigens reeds volgepropte haven. Enkhuizen is een leuk stadje, veel historie, monumenten, hoog VOC-gehalte, en een Zuiderzeemuseum pal naast de jachthaven. Met gemak blijven we hier twee dagen. Ook hier legt onze kombuis het een keer af tegen het restaurant op het terrein van de haven. Het winkeltje is ideaal: voor de helft nuttige dingen als krantje, broodjes en croissants, de ander helft drank, vooral veel wijn. De laatste helft ging het hardst. Een minder fenomeen waren de rolkoffers, die kennelijk alleen ’s-avonds laat over de lattensteigers vervoerd mogen worden. De opvarenden van de 200 boten langs de wandelroute zijn dan tenminste ook weer wakker. Als je net weer in slaap bent gevallen, komt de volgende hufter langs…..

 

Toch nemen we met spijt afscheid van Enkhuizen en varen via de sluis het Markermeer op. We willen richting Muiden, en besluiten eerst naar de vluchthaven bij het gemaal De Bloq van Kuffeler te koersen. De wind neemt in de loop van de dag toe en is voor het gemak met ons meegedraaid, zodat we ook nu moeten kruisen. Het is daarmee een enorme oversteek, en door het sombere weer zitten we een tijd “midden op zee”, de kust voor en achter ons blijft lang uit beeld. We koersen op de gps, die continue richting en afstand naar het doel aangeeft. Pas laat in de middag komen we in de stille vluchthaven (jachthaventje en ankerplaats) aan. In de loop van de avond en nacht vallen er ook buien, zodat we onze riante dektent ten volle kunnen benutten. Als we de volgende dag weer willen vertrekken, worden we net buitengaats door een bui overvallen en zowat het water uitgeblazen. De keuze is gemakkelijk. We hebben vakantie, zijn niet gek en hebben geen haast, dus geef ik de helmstok een flinke zwengel en draai het haventje weer in. We wandelen naar een vogelkijkhut in het naburige natuurgebied, en doen het bezoekerscentrum aan, waar we de enige bezoekers zijn. Het mevrouwtje daar is blij met zowaar twee levende wezens. Ze maakt zelf bijzondere jammetjes en we nemen er een paar mee.

 

Een dag later is weer en wind beter, en we kunnen hoog aan de wind rechtstreeks naar Muiden. Daar genieten we als altijd gastvrijheid bij De Koninklijke, waar iedere keer weer de dresscode in de kantine bekeken moet worden: “Smart casual”, en denk erom: geen zeilkleding! Na een uurtje hebben we met het oog op het opvaren van de Vecht de mast plat. Er is nog genoeg dag over om alvast een eind het leuke riviertje op te varen. De mast is plat genoeg voor alle brugjes, behalve die van Nieuwesluis, hoewel we soms voor de zekerheid de vlag maar even strijken en dan toch nog maar een paar centimeter over houden. Altijd weer grappig om te zien dat voorbijgangers denken dat je de brug gaat rammen. Ergens onderweg overnachten we aan een houten steigertje en de volgende dag gaat het dwars door Utrecht. Heel apart, met een zeilboot, dwars door de Oude gracht, ongeveer onder de Dom door. Voor het rijksmonument Weerdsluis betalen we graag. Daarvoor moet de sluiswachter wel alle deuren met de hand open en dicht draaien. Bij de kruising met het Amsterdam-Rijnkanaal hebben we pech. Dachten we vroeg te zijn, en nu blijkt de deur van de zuidersluis defect. Het duurt uren voor we erdoor zijn en uiteindelijk via de oude Koninginnesluis de Lek opvaren. Eindelijk weer breed water, dat laatste stuk is “uitzitten”, wel met bij vlagen fraai landschap. Ook nu weer gaat het licht ongeveer bij Rhenen uit en draaien we in het stikkedonker de thuishaven in. Eind goed, al goed.

 

Han den Ouden