Vada Varia, nr. 3, 2003
Rotsen, stuwdammen en barrages
Kanotocht op de Marne 2003
Er zijn jaarlijks ‘n aantal hoogtepunten op de VADAKANO Toerkalender. We kennen allemaal het Pinksterkamp, de uitstapjes naar de Wadden, de weekendjes Zeeland, de Veluwerally, om er maar een aantal te noemen.
Hoogtepunt in dit geheel van aantrekkelijke uitjes is sinds 6 jaar de Frankrijktocht. Omdat het avontuur nu eenmaal trekt. Ook dit jaar stak een select gezelschap de hoofden bij elkaar voor een tocht op een onbekende rivier. Onze hoofdsponsor Bjarne Rask Poulsen stelde, om ons doel te kunnen bereiken, wederom belangeloos zijn onvolprezen donkerblauwe VWPassatBreak beschikbaar. Klasse en vriendschap!
Onze vierde man haakte om persoonlijke redenen, die sterk te maken hadden met verantwoordelijkheden op het laatste moment af.
Zo vertrokken we gedrieën op zaterdag 260503 via de Route Soleil zuidwaarts. In de middag stonden we voor de poorten van Langres, een vestingstad van historische allure onneembaar gelegen op de top van een fraaie heuvel. Vlak bij deze plaats in de "Haute Marne" ontspringt de gelijknamige Marne.
We verkenden de rivier, zo breed stromend naast het lateraal kanaal als de Keijenbergse beek, vonden een camping waar uitsluitend zigeuners ons zo ongeveer zwijgend en dreigend wegkeken maar gelukkig bleek er binnen de vestingwallen uitkijkend over een fraai dal een geheel met Hollanders beklante camping te zijn waar we met twee Harleyjongens en een verliefd stel de tentenweide deelden. We staken ons in beschermende kleding vanwege zeer koude wind en stookten onze eerste calorierijke maaltijd. Handen wrijvend viel ik in een verwachtingsvolle slaap vanwege het aanstaande avontuur en mijn heerlijk warme splinternieuwe donzen mummieslaapzak, die ik op de valreep nog verkoos boven mijn vertrouwde zomerzak.
Die zondag bleek, dat het stroompje niet breed genoeg was om te bevaren. We pakten 6 km. saai lateraal kanaal met 3 sluisjes. Droegen toen over in de inmiddels tot Beerse (N.Br.)-afmetingen aangegroeide rivier. Tijn zei dat het kon. Rienke en ik waren niet te beroerd om dat te geloven en af en toe een stukje te "Tijnen" (lopen met de boot achter je aan: zie "Duitse en Deense Wad"). De eerste stroomversnellinkjes dienden zich aan. Daarmee de eerste onzachte aanrakingen met net onder het wateroppervlak gelegen stenen. Boten zijn om te gebruiken, poetsen kan altijd nog! Ze moeten sterk zijn; mooi hoeft niet persé, hoewel het een gelukkige combinatie van eigenschappen kan zijn.
De diep gelegen bedding werd allengs breder, de eerste stuw diende zich aan. Overdragen via het struweel bezijden de stuw leverde krassen van bramen op aan armen en benen alsmede brandnetelprikken. Niemand die er om maalde. Hóórt bij avontuur als water in je surfschoenen, het zingen van een wielewaal, het felle blauw van een ijsvogel, die kras op je boot en die eeuwig natte kont.
Een flink aantal stuwen en versnellingen verder vonden we een wei vol schapen om op te kamperen. Op de achtergrond kabbelde zacht de rivier. De wijn ging rond en de verhalen, terwijl de natte zooi in de bomen te drogen hing. We keken elkaar aan: made for adventure.
Een tweede dag boesterig weer. Niet dat wind of wolken ons deerden, noch de nu en dan zachtjes neerdalende regen. De ambiance van de rivier won het overtuigend en maakte klimatologische ongemakken ondergeschikt.
Tijn vond een nieuwe manier om stuwen te nemen: Eentje beneden in het water staand ving de punt van de boten op die Tijn aan een touw voorzichtig van de waterval liet glijden. Dat scheelde nogal wat tijd en kracht in vergelijking tot omdragen dwars door weerbarstig terrein, gevuld met weelderig vergroeide struikages. Die tijd vulden we dan weer met chèvre en stokbrood, knoflookworstjes of sardines.
Intussen werd het water sterker ofwel de stroom krachtiger, de rotsblokken harder, hoewel hier en daar fluwelig begroeid met algen. Het karakteristieke aflopen van het wateroppervlak, stroomlijnen die links en rechts over het water schoten. Beek werd rivier. Grindvlakken verdeelden en versnelden water zodat er nauwelijks nog op te peddelen viel. Nu en dan werd een boot er genadeloos door dwars getrokken om hobbelend tot stilstand te komen met "tijnen" tot gevolg. Diep in de bochten onder ver overhangende takken stond de aan onze boten sleurende stroom. Staart erin duwen en vaart maken. Onder de takken door, kop omlaag, peddelsteel omhoog om de takken af te weren. Evenwichtskunst, gevarenzône analyse. Besluiten nemen in fracties van seconden. Nu en dan prikte een boot een kleiïg grondmonster uit de wal met een vermoedelijk hoog ijzergehalte en werd de stroom eventjes onbedoeld achterwaarts vervolgd.
Wildwatervaren met bepakte zeeboten. Een absolute kwaliteit van VADAKANO, met idiote maar expressief attractieve trekken.
Een strookje niemandsland tegen een koeienwei aan waar we ons regenzeiltje aan bomen en kayaks knoopten. Onder nieuwsgierige blikken van tientallen likkende, kwijlende en plassende zwartbonte koeiendames konden we droog omkleden en koken. Laat na de borrel klaarde de lucht. Ik droomde mijn wereld in flarden en bizarre combinaties, het hoofd lekker warm in een rand van volumineus eendendons.
Een zilverreiger steeg, gestoord bij het vissen, op trage vlerken op. Wij waren weer onderweg in onze inmiddels met tape beplakte boten. Lekkage in mijn voorcompartiment. Bergschoenen vol water, een zooitje kleren nat. Geen nood. Dat lost zich altijd op in de tijd. Het compartiment dan maar afgevuld met zaken die water verdragen. Een kwestie van ompakken en herverdelen. Een warme dag voor blote armen en welkome afwisseling. Zonnesmeer. Bruine handen en onderarmen. De barrages waren er niet minder om. Met haast achteloze ervaring gingen de boten erover. Oponthoud vaak niet meer dan 3 minuten. Niks voor Edwin om beneden de boten op te vangen tot de knieën staande in tamelijk koud water. Doet hij noodgedwongen "de hertje Kantjil dans".
Dan was er ineens een strak weitje met 2 caravans. Een camping municipal. Twee mannen zeulden juist een boiler de toiletruimte in. Twee anderen stonde te vissen.
We sloten het varen vroegtijdig af, hingen alle spullen op lijnen, droogden natte tenten, aten noten bij de neut en gingen in de zon liggen. Het was per slot vakantie en wat warme droogte hadden we wel verdiend. Tijdens een behaaglijk warme wandeling constateerden Tijn en ik een toenemend probleem in la douce France: haast in geen enkel dorpje zijn meer elementaire levensbehoeften te koop. Daarvoor moet men tegenwoordig naar de periferie van wat grotere steden afreizen. Daar staan reusachtige centre’s commercial, super’s ter grootte van complete voetbalstadia, waar je gewapend met een ijzeren kooi op wielen, in bizar grote overdekte ruimten zo ongeveer alles kan kopen waaraan in de derde wereld al tientallen jaren zo’n gebrek is. Het is er allemaal in zulke groteske overmaat van luxe, dat je ineens begrijpt waarom er in die arme landen helemaal niets is. Verdwaasde centralisatie. Mensen lopen er verveeld en tamelijk blasé hun zaken bij elkaar te spitten. Speciale bedrijven kan je inhuren om je spullen thuis te krijgen als je slecht ter been bent of geen auto hebt. Uiteraard tegen riante vergoeding. Euros first!
Wij worstelen ons door de tientallen koopgoten om uiteindelijk met wat kaas, groente, brood en wijn via gigantische kassarijen en parkeerterreinen af te zakken naar de ineens primitief aandoende stilte van de rivier.
Die nacht sliepen we in een droge tent. Fris gedouched. Heldere sterren en oplichtende waakzame satellieten waakten over ons kampementje. Een welkome afwisseling. De slaapzak kon zelfs een stukje open blijven. Maar dit warmtefront kondigde een nieuwe storing aan. Nothing we can’t handle. Nauwelijks droog in de boot de volgende ochtend vielen voorzichtige droppen weer nauwelijks waarneembaar op mijn inmiddels wat aftandse ogende maar nog steeds uitstekend dienstdoende hoed.
Maar de rivier is miraculeuse. Deed zij in aanvang denken aan de Berkel of de Beerse, zij kreeg steeds meer allure. Riep in ons de herinnering op aan de Dinkel, de Allier en zelfs de Creuze of de Loire. Het werd een soort combinatierivier. We werden gevoerd langs bosranden, bergen en krijtrotsen. Dan weer langs weilanden of bouwland vol bloeiend koolzaad. De zware bewolking deed de kleuren sterk uitkomen. Een koppel eenden wees ons stug de weg. Druipend van het water genoten we 180 km. sterk meanderende rivier met uitzicht op fraaie dorpen omgeven door fel geel en vers groen waarvan we het spiegelbeeld al varend vervormden.
We naderden een stalen stuw bij een vervallen aandoend industrieel complex. Verval 3 mtr. Geen overdrachtmogelijkheden. Uitstappen ook al lastig aan een weelderige, hoge bramenwal. Niet direct een comfortabele optie. Er waren twee bypasses. De één voerde nauwelijks water en was derhalve geen optie. De ander stroomde als een geit en voerde voldoende water. Boten naar beneden. Tóch nog even gekeken waar het stroompje naar toe voerde. Op terrein van het complex hoorden we in een haveloos gebouwtje wat zoemen. Achter een zeil en een schuifdeur stond een reusachtige glanzende turbine te draaien alsof hij de hele rivier kon verzwelgen. De door ons gekozen bypass bleek niet bevorderlijk voor onze gezondheid, noch voor de gesteldheid van de boten. We hadden er zonder meer in kunnen varen om tot gruis vermalen te worden. Geen enkel bordje waarschuwde voor mogelijk gevaar. Wel onze intuïtie gelukkig!
Tijn verzon de oplossing: de boten aan een touw vanaf de brug over de stuw neerlaten. Hij zou ze zelf opvangen beneden, na een klimtocht over een kademuur en een rij grote rotsblokken. Anderhalf uur later konden we onze tocht triomfantelijk voortzetten, het "c’est fini" met de bijbehorende handgebaren van de toegeschoten opzichter ten spijt.
Bij een volgende barrage stond een diepe stroom-V. Altijd een aanwijzing voor veilig invaren ware het niet, dat exact aan het einde van de V een enorm rotsblok lag door schuimend water overspoeld. Tijn en ik voeren er, krachtig dwars verplaatsend in combinatie met boegstuur rakelings langs. Rienke was minder fortuinlijk. Haar boot kwam met een hoorbare kraak dwars voor het blok en bleef steken. De krachtige stroom had een ongelukkige kapseis tot gevolg. Rienke kwam proestend boven en behoedde haar boot voor doorbreken door hem op te tillen en vrij te maken van de hopeloos in de weg liggende steen.
Tijn werd wat slaperig. Misschien droomde hij over de aantrekkelijkheden van Marjolein. Eén moment van onachtzaamheid en de witte bodem van zijn boot kwam onder de takken uitdrijven. Niks voor Tijn. Relativerend grijnsde hij de kuilen in de wangen terwijl het water uit zijn haren droop.
Alweer een "duikelstuw" met daarachter een onbevaarbaar keientraject van 200 mtr. Nauwelijks weer ingestapt of de volgende hindernis diende zich aan: een brug met vier pijlers en net daarvoor een krachtige, brede stroom proceswater uit een aangrenzende fabriek die met donderend geraas dwars de rivier inspoot. Niet in te schatten door welke brugboog heen gevaren kon worden. Met kunst en vliegwerk kwamen Tijn en ik er veilig doorheen, zei het rakelings langs het beton van de pijlers en in mijn geval met een onzachte aanraking tegen de zijkant van mijn boot. Rienke was andermaal de klos. Met een klap belandde ze dwars voor de pijler. In gedachte zag ik haar boot eromheen krullen en krakend de geest geven, alle erin opgeborgen spullen uitbrakend. Maar even later kwamen boot peddel en Rienke geschrokken maar ongedeerd voorbijdrijven.
Op een privé weitje zaten we kamperend bij te komen in onze opblaasfauteuils. De wisky ging rond terwijl de groente onder de scherpe alklievers gedisciplineerd versnipperd werd. De brander snorde. De natte zut wapperde in de nabij staande boom. Tijn stak een buitenproportioneel grote Cubaanse sigaar op die alle ontbering van de laatste dagen had doorstaan in de veilige droogte van een grote plastic bidon. Het was een genoegen met hem mee te roken en me in het Caraïbisch gebied te wanen.
We naderden Saint Dizier sneller dan we gedacht hadden. De natuurlijke rivier werd er opgeslokt door schuin oplopende, groteske betonnen wallen, die leidden naar definitief eindig ogende stalen sluizen en stuwschuiven. Na alle overwonnen hindernissen leek dit kunstwerk gemaakt om de rivier en ons een lesje te leren. We stapten uit bij een boothelling en knoopten de karretjes onder de boten en voelden ons gestremd. De sluismeester voerde ons over het groteske complex heen en wees ons de weg naar het station. Nog 600 mtr. ploeterden we over een keienbedding en hesen de boten voor de laatste maal de wal op. In het aangrenzende park werd zojuist de kermis afgebroken. Honden blaften ons een warm welkom toe.
We kleedden ons om. Ik trapte onfortuinlijk op een in het gras verborgen wesp. Rienke rukte de angel uit mijn zachtplastic voetzool. Met de boten achter ons aan staken we de straat over. Ik vestigde me op een grasveld aan de voet van een fraaie burcht, spande een regenzeiltje tegen dreigend onweder tussen twee bomen en wachtte met resterend stokbrood, een blikje tonijn en een pruttelende koffiepot en met tussen de buien door drogende tenten op de terugkeer van Tijn en Rienke, die met de trein op weg waren om de auto terug te halen.
Voorbijgangers groette ik vriendelijk, wat mij uiteindelijk op een graag in het Engels corresponderende vriendin kwam te staan. Ze is mooi, lacht breed, heeft ravenzwart haar, dito ogen en een reebruine hond. Ik heb haar een hand gegeven. Die kreeg ik later eerlijk en onbeschadigd terug. Nu ik weer thuis ben, vier uur geslapen heb in de loods, gebaad heb en terugkijk, zie ik dat haar manier van lopen, op haar rug gezien Baskisch aandoet. Misschien roept mijn herinnering die wens op.
La France, la Marne, geen koekoek gehoord dit keer. Een rasavontuur.
Bjarne, bedankt voor je auto, Tijn en Rienke bedankt voor het veilig rijden en het aangenaam gezelschap. Terug naar de realiteit van alle dag. Volgende week repareren we de boten.
Toon Hoefsloot.