Norske Skog Rijn-race 2003.


Zou het nu een keer waaien? In 2001 en 2002 hebben we verstek laten gaan en er was toen nauwelijks wind. Mijn dochter wilde de race wel eens met haar vader meezeilen, dus deze keer weer ingeschreven, hopend op voldoende wind om niet alleen door de stroom tot winnaar te worden gemaakt, zoals dat in 2000 was gebeurd, toen alleen de stroom ervoor zorgde dat we in Wageningen aankwamen en dan is de boot met de kleinste TCF, en dat is mijn punter, altijd de winnaar.

Tegen half twaalf  hadden we “Deinemeid” onder haar dekzeil vandaan en klaar om te varen. De buitenboordmotor  liet zijn bescheiden gegrom horen en voor het oog van de videocamera  die door mijn vrouw werd bediend voeren we de haven uit onder een betrokken lucht met een zwakke  NO-wind. Vóór ons was al een sleep vertrokken en na ons kwam er nog een terwijl een paar kajuitjachten op eigen kracht tegen de zwakke stroom in de richting van het grindgat van Heteren koersten.

Bij de steenfabriek in de Bovenste Polder werden we ingelopen door de sleep die na ons vertrokken was en bij het einde van de Wageningse Berg vielen de eerste regendruppels, die mij Mieke, mijn dochter,  lieten waarschuwen voor  de gladheid van de gelakte vlonders als die nat waren. Onze regenpakken zouden ons wel droog houden. De scharrelvarkens op het strandje tegenover  Norske Skog vermaakten zich weer met voornamelijk liggen; slechts een ervan die op weg was naar het water  keurde ons een blik waardig.

Aangekomen in het grindgat eerst maar even de ligging van de skippyballen bekijken en gissen waar de startlijn zou zijn. Een slok chocolademelk met rum om ons op te peppen, een sanitaire stop waar geen toiletten zijn. Optuigen en een paar baantjes zeilen, bij het startschip nog even informeren wat precies de startlijn was en welke de skippybal A, die blijkens de rode vlag over stuurboord gerond diende te worden.

Het tien-minutensein, het vijf-minutensein, geen gele vlag voor ons, dus niet naar Driel. Het horloge op het achterdek en onze mededingers op een vrij grote afstand van de startlijn zorgden ervoor dat we zonder problemen vlot als eerste konden starten.

Skippybal A bevond zich in de luwte van de bomen en met het zachte, nogal draaierige windje lukte het na een paar slagen er op enkele decimeters over stuurboord langs te drijven. Daarna op weg naar de uitgang van het grindgat....

Deze uitgang is voor een belangrijk deel dichtgeslibd, zoals al aangegeven in de tekeningetjes die de deelnemers met de wedstrijdbepalingen hadden toegestuurd gekregen. De overgebleven nauwe opening moest tegen wind in genomen worden. Tegen de tijd dat wij er waren aangekomen, waren de vijf minuten later gestarte lelievletten van de scouts er ook gearriveerd. Vooral de ongewenste manoeuvre: “rondje om het stuurboordzwaard”, dat in het zand vastliep, bracht ons met een vijftal lelievlets gelijktijdig in de nauwe uitvaart, die nauwelijks drie scheepslengtes breed was. Dit werd nog eens duidelijk aangegeven door enkele rescuemedewerkers die tot hun knieën in het water staand aangaven dat er nauwelijks ruimte om te laveren overbleef. Deze situatie, waarin je niet wilt zijn, bracht ons de meest positieve ervaring van de dag: er werd niet geschreeuwd, het woord bakboord werd niet uitgesproken, er werd onderling ontspannen en vriendelijk gepraat en rekening met elkaar gehouden. Er werd zorgvuldig en voorzichtig gestuurd, zodat de hele kluwen schepen eenmaal op de Rijn zonder elkaar geraakt te hebben zich kon ontwarren: een prachtig staaltje van hoe men zich op het water ook in wedstrijden kan gedragen: hulde aan de scouts! Gedurende de hele dag lagen we in de buurt van de lelievletten, die wat sneller zijn dan onze Deinemeid (de langzaamste boot in het veld) en steeds werden we geconfronteerd met vriendelijk en ontspannen gedrag van de jonge schippers en hun bemanning.

Inmiddels voeren we bijna voor de wind met de fok te loevert en de zwaarden omhoog voor wind en stroom in de richting van de steenfabrieken bij Heteren, al betrekkelijk snel kwam ons het eerste vrachtschip tegemoet. De golfslag hiervan loopt tegen stroom nog geruime tijd door en dat is voor ons een steeds weerkerende rem op onze voortgang. Maar ook zonder dat is het niet te voorkomen dat een van onze rivalen ons voorbijloopt: een mooie Lemsteraak, hoog en strak in het tuig, passeert ons moeiteloos en wij moeten proberen te voorkomen dat hij ons zover voor raakt dat het verschil in tijdcorrectie ons niet meer zal baten. Zo nu en dan moet er gegijpt worden en de fok naar de andere kant te loevert gezet, zo sturend dat we zoveel mogelijk buiten de luwtes blijven, die vooral voor ons met ons lage tuigje veel in snelheid uitmaken. Inmiddels kunnen de regenbroeken weer uit, want de zon komt door en voor de wind wordt het warm in de boot. We eten een broodje en het Lexkesveer komt in zicht. De pont ligt aan de zuidzijde en wacht op ons met overvaren; we bevinden ons in een groepje lelievletten. Vanaf de pont is de videocamera weer in actie en als we gepasseerd zijn heffen we de mok met de laatste slok chocolademelk met rum, waarna we ons weer concentreren op de naderende beroepsvaart. De Lemsteraak raakt steeds verder voor en de zeegrundel, die op papier sneller is dan wij loopt geleidelijk op ons in. Als we bij de Wolfswaard de jachthaven in zicht krijgen is de Lemsteraak bijna bij de haveningang en na een poosje zien we hem tot onze opluchting naar binnen varen. Dit betekent nog kans op winst, zou hij de hele baan varen, dan is het de vraag of we zullen kunnen finishen. Het zou betekenen dat we met onze langzame punter een stuk tegen de stroom zouden moeten laveren en met zo weinig wind en slagen met hoogstens hoeken van vijftig graden is het onzeker of we de weinige stroom dood kunnen varen. Na een poosje beginnen we te speuren naar de afkortingsvlag die bij de haveningang moet staan en er niet blijkt te staan. Dat betekent doorvaren naar Opheusden en dan terug kruisen: ik heb er een hard hoofd in. Inmiddels komt de zeegrundel steeds nader en wij zetten de fok weer eens aan de andere kant te loevert om toch maar van elk zuchtje te profiteren. Bij het keerpunt verwachten we nu toch zeker een afkortingsvlag te zien, maar nee hoor: terugkruisen tot voorbij de Wolfswaard staat ons te wachten. En het gaat langzaam! Er zijn slagen die ons nauwelijks een halve krib hogerop brengen en dan zie je dat ook weinig stroom nu van grote invloed is. Met soms halve slagen om de beroepsvaart uit het vaarwater te blijven is al helemaal geen voortgang te boeken. Zullen we nog voor zessen binnen zijn? Als de wind nog iets afneemt, wat je zou kunnen verwachten, komen we niet meer zeilend tegen de stroom in. Ik denk wel eens dat de wedstrijdleiding dat met betrekking tot de platbodems en lelievletten had moeten beseffen. We ploeteren voort en naderen wederom de haveningang, die we nu voorbij moeten richting Wolfswaard. Hier overkomt het ons dat we in drie slagen niet meer dan een tiental meters stoomop gekomen zijn en het is vijf uur. Als dit zo doorgaat halen we de finish niet op tijd. Proberen zoveel mogelijk binnen de kribben te blijven is nauwelijks mogelijk: er staat te weinig water, zodat het zwaard de bodem raakt wat onmiddellijke stilstand en verder uit de koers raken tot gevolg heeft. De vaarboom moet dan uitkomst bieden en zo komen we weer los. Eenmaal weer op de rivier komt voor de wind een aantal schepen met de spinakers gehesen op ons af. De eerste wijkt en de tweede, van wie ik denk dat hij ons gezien heeft, wijkt niet. Ik moet zo snel mogelijk afvallen en op het laatste moment loeft het andere jacht op, waardoor we elkaar net niet raken. Zijn spinaker legt zich om de mast, maar ontvouwt zich later weer en alles loopt net goed af, zij het dan dat onze slag ons naar een lager punt brengt dan we bij de vorige slag waren....

Tergend, tergend langzaam komen we stroomop en ik begin te denken: we halen het nooit. Eindelijk varen we tussen de kribben voor het Leliegemaal en zien we op het eind van de krib de keerblazer staan. De volgende slag moet ons over de lijn krijgen. Helaas, de wind draait een beetje ongunstig tegen en we moeten afvallen. De stroom duwt ons verder terug. De volgende slag dan: hetzelfde verhaal. De vierde slag brengt ons net over de streep en de toeter laat zich eindelijk horen. Ik weet niet of ik het zonder de opbeurende woorden van mijn  maat had opgebracht om hier zo te liggen martelen om over de streep te komen. Daar gaan we weer voor de wind en stroom: het is half zes geweest: we zullen voor zessen binnen zijn. Ondanks windstilte vlak voor de finish drijven we dan toch met een vlaagje, na vier en een half uur varen,  om kwart voor zes over de finish. Waarschijnlijk dan toch weer eerste in onze (kleine) klasse.

Deinemeid” onder het dekzeil en een borrel pakken op het terras zijn de volgende bezigheden. Daarna volgt de overheerlijke barbecue, mij door mijn maat en mijn vrouw gebracht met de salades en sauzen van Lia. Enige vermoeidheid doet zich voelen; hoe vaak zou ik de zwaarden hebben opgetrokken en weer laten zakken, de fok naar de andere kant te loevert hebben gezet? Hoevaak overstag? Maar we zijn het er over eens: het was een mooie dag zeilen. Als dan bij de prijsuitreiking er ook nog een prijs valt binnen te halen is het dubbel genieten.


Bob Zuidema.