Vada Varia, nr. 3, 2003

Soms zit het mee; soms zit het tegen.

Zomer 2001. Met een jong stel, Jannie en Henk, twintigers, zeil ik op mijn Tilman naar Schotland. De overtocht, de navigatie, het zeilen etc. verlopen zonder veel tegenslag. Dat zit niet echt tegen. Maar daarmee is niet alles gezegd.

Het is een uur of vijf na vertrek uit Wageningen. Sluis Hagestein. We leggen aan en lopen naar de sluiskolk. Het zit mee. Er wordt al opgeschut. Als de sluis leeg is kunnen we achter een binnenvaartschip naar binnen. Na ons een oude Fisher, tweemastertje, prachtige ronde kont, in alles mooi behalve de kleur. Een afgrijselijk harde variant gifgroen. Soms zit het tegen. Er bestaat helaas nog geen wet of bijzondere verordening "Regels ter handhaving van maritieme esthetica". De discussie over normen en waarden moet niet alleen de lanen in en de paden op maar ook het water over.

Verder. Tijd voor klusjes. Henk gaat de vetspuit van het schroefaslager vullen. Ik weet niet precies hoe zo’n vetpatroon er in moet. Henk, zo blijkt, ook niet. Het begint al niet goed omdat de oude koker, anders dan de vrijwel geheel ingedraaide hendel deed verwachten, nog niet helemaal leeg is. Het vet stond kennelijk nog onder druk en er komt geheel onverwacht flink wat uit. Henk prutst wat aan de spuit en de (nieuwe) vetkoker, gebruikt waarschijnlijk ten onrechte een afbreekmes en krijgt meer vet aan zijn handen. Vervolgens gaat het van kwaad tot erger; van vet tot vetter. Bij de overtreffende trap, op het hoogtepunt van de "Act voor man en vetspuit", houdt hij de koker ondersteboven en glijdt de dikke worst vet met een natte zucht uit de koker en zijgt als een karamelpudding ineen op de bodem van de bakskist. De climax van de slapstick vormt de muzikale inleiding van wat iets gaat worden als "A Symphony for Grease, Airbubbles & Henk in cis". Maar hij blijft er onbewogen onder en gaat in volledige kalmte, alsof hij dat altijd zo doet, met zijn blote handen klodders vet in de koker proberen terug te persen. De fascinerende geluiden van het tweede deel van de symfonie, een largo met de klaaglijk traag smakkende en zuigende tonen van het door ingesloten luchtbellen onwillig geworden vet, zijn het waard om te worden vastgelegd. Een CD met deze muziek zou cultureel erfgoed voor het nageslacht kunnen zijn; veel méér dan alleen de auditieve registratie van de stoelgang van Shell. De fascinatie van Jannie en mij is inmiddels compleet. We kunnen niet anders dan met grote ogen naar Henk, zijn vet en zijn spuit kijken en verkeren in ernstige gewetensnood. Moeten we meelevend kijken, ’n snik bedwingen of toch maar de zich nadrukkelijk opdringende schaterpartij laten doorkomen? We weten allebei dat ongeacht het resultaat van deze gewetensbeslissing Henk er onbewogen onder zou blijven.

Een uur later: Henk heeft het meeste vet uit de bakskist, van de vetspuit, uit (van) zijn kleren, van de kuipbanken en kuipvloer, uit zijn oren, neus en ooghoeken, van zijn handen, broek en T-shirt verwijderd. Het restant oogt hooguit als gel in zijn haren. Hij heeft tot mijn vreugde ook nog een weliswaar betrekkelijk geringe hoeveelheid vet in de vetspuit weten te krijgen. Het derde en laatste deel van de symfonie klinkt nu vanaf het wateroppervlak; het geluid van schuim, het ruisen ontstaan door harder en zachter openklappende zeepbelletjes snel achter elkaar. Het gekriebel der oren dat ook niet-vetspuit-experts wel eens in de douche horen nadat er teveel shampoo in de oren is gekomen. En bierdrinkers wier hoofden na enige glazen teveel zo dicht boven hun glas zakken dat ze hun bier niet alleen meer proeven, zien en ruiken maar ook horen, aldus de volmaakte alcoholische harmonie in hun zintuiglijke prikkels bereikend.

Terug naar Henk. Henk is Henk. Niets meer en niets minder. Met zijn wilskrachtig hoofd en rust uitstralende blauwe ogen toont hij een gedrag dat past bij zijn krachtige marinierachtige uitstraling. Een stoïcijnse blik, volstrekt onaangedaan. Hij is klaar, kijkt me vriendelijk maar doordringend aan en vraagt langzaam en met zachte stem: "Nog méér klusjes te doen?"

Ik kijk omhoog, zie dat de zaling en de vlag weer vetvrij zijn en constateer dat we soepel onder de Brienenoord door glijden. De tocht verloopt als het schroefaslager; gesmeerd.

Het is negen dagen later. We hebben na in Hoek van Holland het zeegat te hebben gekozen met niet al te veel en wisselende wind een slag naar het noordwesten, daarna zuidwesten gemaakt en een paar uur lang gedieseld toen de wind het helemaal liet afweten. Uiteindelijk na 30 uur aangekomen in Great Yarmouth, daar wat boodschappen en een paar uur later weer vertrokken om met een inmiddels gunstige wind in ’n uur of 20 naar Hull te zeilen. Daar liggen we met afgrijselijk weer verwaaid. In een stad die, zoals een "local" me vertelde, door met name de teloorgang van visserij in de zeventiger en tachtiger jaren verloederde maar nu weer opleeft.

Als het weer pas na 3 dagen is opgeklaard vertrekken we in de avond van 20 juli en zeilen in één ruk van bijna 60 uur naar een haven westelijk van Edinburgh in Schotland. Een sfeervolle haven vlakbij of haast onder de prachtige en beroemde bruggen over de Firth of Forth, een zeearm van ’n kilometer of anderhalf, twee breed. South Queensferry heet het hier. Kouwnigginnevieer Zuid zou het heten in Algemeen Beschaafd Rotterdoms.

Vandaag, dinsdag, vindt een bemanningswissel plaats. Henk en Jannie zijn vanochtend vertrokken. Ze vliegen voor een habbekrats met Easyjet terug naar Amsterdam terwijl Leida (mijn vrouw) en zoonlief Alef met de auto vanuit Rhenen naar Edinburgh komen en vanavond verwacht worden. De logistiek van deze reis is ingewikkeld want over weer een dag of vijf komt de vriendin van Alef, Marjon, voor minder dan 100 gulden van Brussel naar Glasgow vliegen. Het zou fijn zijn als we op dat moment ook daar aan de westkust zijn. Dat blijkt te lukken. We varen in die tussentijd (leuk, als eerste Nederlander) door het één maand eerder heropende Forth & Clyde Canal (40 sluisjes) van oost naar west door zuidelijk Schotland. Als Marjon arriveert liggen we in "Inverkip", een haven aan die schitterende Schotse westkust en kan Alef gewoon met de bus naar het vliegveld om ‘r op te halen.

Weer ’n dag of tien later zal een ander bemanningslid, Mark, die de boot mee terug naar Nederland zal zeilen, vanuit Amsterdam naar Edinburgh komen vliegen. De bedoeling is dat wij inmiddels een stukje noord- en oostwaarts zijn en tussen eilanden en zeestraten door naar Fort William zijn gezeild om verder via het Caledonian Canal (met 29 sluizen) en over de schitterende Schotse Lochs (Loch Lochy, Loch Oich en Loch Ness) naar Inverness aan weer de Schotse oostkust en dus de Noordzee te zeilen en dieselen. Mark komt met onze auto vanuit Edinburgh naar dat Inverness om zich in te schepen. Leida en ik rijden lekker rustig door Engeland met de auto terug, kamperen, wandelen in het Lake District, verdrinken nu op het land bijna alsnog door de overvloedige regenval daar en later ook in de Yorkshire Dales en brengen een uitgebreid bezoek aan Engelse vrienden in Orford aan de Engelse oostkust voor we zonder problemen, nota bene in het hoogseizoen, één dag tevoren een boot terug naar Hoek van Holland kunnen boeken en terug naar Rhenen rijden.

Al met al een tamelijk ingewikkelde logistiek. Maar het lukte allemaal. Dat zat absoluut niet tegen. Overigens had Mark zijn vliegreis naar Edinburgh wel heel goedkoop. Want door o.a. wat onwillige en dronken Schotten op Schiphol liep hij daar een vertraging op van 5 uur. Het zat dus nogal tegen. Maar het zat nog meer mee; hij vloog voor niks. Want bij meer dan 3 uur vertraging krijg (kreeg?) je bij Easyjet je geld terug.

Jachthaven Port Edgar in South Queensferry bij Edinburgh. Die dinsdag. Een mooie dag. Ik ben alleen op Tilman, mijn trots. Vanochtend zijn Jannie en Henk vertrokken, vanavond komen Leida en Alef aan. Die hebben al gebeld; ze zijn in de vroege ochtend in Rhenen vertrokken, met de (snelle) Stena hamburgerboot van Hoek van Holland naar Harwich gevaren en nu ergens op de Britse snelwegen rechts aan het inhalen. Tijd voor mij dus om te laten zien een goede huisman te zijn en grote schoonmaak te houden

Er hangt een glazen zeepdispensertje boven het spoelbakje. Zeker voor mij – ik kan rechts alles en links niks - is zo’n ding een uitkomst. Je kent ze wel; een matglazen bol waar wat zeep uit komt als je ‘m kantelt. Het ding hangt er al járen maar er zit al máánden een breuk en een gaatje ergens boven in het glas wat me de laatste dágen pas echt ergerde hoewel het nooit een echt probleem gaf; je moet het ding gewoon niet té schuin houden. De zwaartekracht doet de rest.

Nu ook. Ik wil nu een stukje tape over het gat in het glas plakken. Om als liefhebbende echtgenoot natuurlijk te voorkomen dat Leida straks met haar lieftallige tere vingertjes in kapot glas zou grijpen. En natuurlijk ook wel een beetje om ervoor te zorgen dat ie provisorisch dicht is en de zeep niet kan lekken als ie te vol is. Nou, dat lukt goed hoor. Hierna lekt ie nooit meer. Want als ik het glas voorzichtig - echt heel voorzichtig - uit de beugel wil halen valt het kreng helemaal uit elkaar en ligt alles over het keukenblad. Ik zit met mijn hand vol met groene kleverige zeep en glasscherven en voel de blauwgroene stroop langzaam langs mijn arm richting elleboog en oksel lopen. Normaal, zoals het een schipper betaamt, redelijk besluitvaardig ben ik nu geheel van slag en kom na te lange hersenactiviteit tot de conclusie dat ik allereerst mijn hand omlaag moet doen voor er nog meer zeep langs mijn oksel kriebelt. Vervolgens een nieuw beslismoment: hoe het aan te pakken, wat te doen om verder onheil te voorkomen. Maar ja; iets aanpakken is zo ongeveer letterlijk onmogelijk; het glijdt door de smurrie tussen mijn vingers weg en valt of wordt gekatapulteerd als ik knijp.

Ik zie de stroperige blauwgroene zeep op het aanrechtje, druipend langs de kastjes, op mijn voeten, op de grond. Het aanrechtje op de boot is een vlakke houten plaat naast het wasbakje met een paar vlakke deksels waar kastjes onder zitten. Daar stroomt de zeep heen. In mijn angstdromen zie ik de dikke emulsie van zeep in de naad tussen deksel en keukenblad lopen en daarna tergend langzaam doch onherroepelijk onder dat deksel ín het koffie- en theekastje druipen. In mijn gedachten loopt de glimmende groene massa door tot onder het deksel en strekken zich de druppels zeep traag en sierlijk tot langgerekte glanzende strakke stroperige strepen voor ze zich kwiek, kronkelig en gracieus neervlijen in de openstaande koffiebus, over de theezakjes, in het doosje suikerklontjes, over de koffiefilters, de cacao… Ik denk de gladde kleine vijvertjes op de lepels in de bestekbak te zien ontstaan en ik zie in dat visioen mijzelf proberen naar buiten te stappen, uitglijden over de zeep en spartelend in de plas blauwgroene smurrie vallen voor ik mijn moeder om hulp roep.

Een film van dit alles, met het uiteraard immer ronde maar nu wel heel beteuterde gezicht dat ik bij deze gedachten trek, gecombineerd met vertraagde opnamen van wat ik denk dat zich in dat kastje afspeelt, zou een meesterwerk zijn dat in de grote filmhuizen jarenlang volle zalen trekt. Het mist weliswaar de kracht van een Griekse tragedie, maar het registreert daarentegen wèl de impact van het denken óver of het beïnvloeden ván het leven door … Dreft. Dit moet toch de uiteindelijke - het modewoord "ultiem" kan ik niet uit mijn strot krijgen - droom van ieder groot filmer en dramaturg zijn. Als Homerus, Shakespeare, Goethe en onze eigen Harry Mulisch mij gekend zouden hebben…

Vier uur, drie kwartier en 43 keukenrollen later, net voor Leida en Alef arriveren is de boot weer bewoonbaar en glijvrij en zijn mijn fysieke aaibaarheid en geestelijke hanteerbaarheid hersteld. Maar er is geen film. Waarschijnlijk zal ik me, de wrede praktijk van de moderne en niet kunstminnende mediawereld kennend, moeten behelpen met herinneringen en ’s lezers mededogen; het vergaat de zeep nu eenmaal anders dan de soap. Als Homerus zal ik er, anders dan Harry M. en Katja, niet rijker van worden. Ik heb daar ook vrede mee.

Was dit de wraak van Henk om mijn leedvermaak over zijn "Act Met Vetspuit"? Hoe dan ook; nog steeds komen, als ik wat schuim zie op het water rondom mijn Tilman, de herinneringen terug; het vet, Henk, de HEMA-zeepdispenser, Dreft en uiteraard het schuldbesef over mijn aandeel in de verontreiniging van het oppervlaktewater.

De moraal… Op het water is alles anders. Maritiem positivisme. Vaak zit het mee. En als het tegenzit op je bootje is het meestal "errug", slechts zelden "ernstig".

Peter Burghouts.

 

Epiloog:

De vetspuit is in het voorjaar van 2002 zonder problemen van een nieuw vetpatroon voorzien. Zonder enige verdere aantasting van de kwaliteit van het havenwater.

Henk is inmiddels afgestudeerd bosbouwkundige en is werkzaam in het weerbarstige management van enkele houtverwerkende ondernemingen in Bulgarije. Hij eet er plaatselijke kost; absoluut niet vetvrij. Zijn relatie met Jannie is niet meer. Gestrand op o.a. irritaties over zijn weigering haar aan het strand in te smeren met factor 12.

Jannie staat op het punt naast haar HBO studie bedrijfseconomie een universitaire studie marketing af te ronden met een excellente scriptie getiteld: "Human Behavior and FAT-management in Maritime Conditions". Ze is inmiddels benaderd door headhunters van Unilever om de markt voor gemariniseerde frituurpannen te onderzoeken en een CSPP (Concept Sales Promotion Plan) te ontwikkelen vóór de volgende HISWA (2004).

Een nieuwe zeepdispenser is na uitvoerige marktverkenning op Tilman geïnstalleerd. Uit respect voor de oude in dezelfde schroefgaten. Het glas oogt kogelrond, lijkt kogelvrij en heeft een dikte van tenminste 12 millimeter.

De auteur, P. B., voorheen leraar ‘Economie’ en ‘Management & Organisatie’, heeft nog wel een vaste relatie, is nog geen ‘Senior’ (dat is Dhr. G.J., erelid van VADA) maar wel ‘Advanced Executive Manager Exterior Coatings’ in de dinsdagwerkploeg bij VADA. Hij hanteert dus de kwast buiten en verwent daarmee de bokken, ‘de paardenstal’, ‘de scheve loods’ etc. Daarnaast schept hij nog steeds op over zijn boot Tilman – in zijn geval natuurlijk terecht – en wast zich nooit meer met zeep.