|
|
Vada Varia, nr. 3 2006
|
|
|
Populisten
kunnen toch niet zeilen?
“Ik was een tamelijk lange periode
niet aan (of is het bij, in of op?) de haven. Als achteloos lezer zou u
kunnen zeggen: “Nou ènnnn? Is dat een mededeling
van belang?” Ja,
dat denk ik wel. Want ‘er niet zijn’ is niet ‘n op zichzelf staand fenomeen;
het heeft achtergronden, oorzaken, gevolgen. De menselijke vraag: hoe raakt
mijn ‘er niet zijn’ anderen en mijzelf? Filosofische vragen ook. Kan je zijn
zonder ‘er’, ergens dus, te zijn? Hegeliaanse dialectiek: bestaat het weten
er te zijn (de these) pas als je ook ervaren hebt er
niet te zijn (ja, goed). Natuurlijk ook de literaire vraag. Die klinkt in het
Engels veel beter. ‘N toneelschrijver van daar
roerde het thema tamelijk theatraal aan, maakte ‘t beroemd en wordt nog steeds
geciteerd door anderen die er van smullen of alleen maar weten goede sier te
maken met citeren of er op te zinspelen! Ik ook hoor. Bla,
bla, bla! G B Rom
Terug
naar de haven, naar VADA. Hoe gaat het daar als ik er niet ben? Nee; het
stellen van de vraag is geen hoogmoed. Lees, denk, vraag! De kunst van lezen
is niet alleen opnemen, consumeren, inhaleren van tekst maar juist oproepen
van gedachten, van vragen. Hier de vragen rakend aan de sport; zonder veel
menselijke diepgang. Zoals… worden de roeiploegen aangepast, gaat er wat fout
als ik er niet ben? Lukt ‘t op korte termijn ‘n
ander op te roepen.? Zo ja, gaan ze er dan van uit dat de plaats van die
ander min of meer definitief is? Geeft het irritatie
omdat we op elkaar ingespeeld waren en nu ‘n ander in mijn plaats komt? Is de
ploeg door mijn afwezigheid ietsje teruggevallen? Tot hier
vooral de organisatorische en verenigingseffecten van mijn ‘er niet zijn’. De
mogelijke irritatie en mijn stiekeme hoop op terugval vormen de overgang naar
vragen met meer individuele en sociaal psychologische impact. Missen de
roeiers me, balen ze - desnoods maar even - dat ik er niet ben? Zijn de gesprekken
anders, méér of juist minder oppervlakkig? Is de pret na het roeien in “Ten
Anker” anders, maken ze gemene grapjes over het feit dat ik er niet ben?
Wordt meer, minder of anders gedronken? Bellen ze me op met de vraag of ik
binnenkort weer kom, vragen ze misschien of er wat met me is, of ik behoefte
heb aan een gesprek met het roeibestuur? Of met iemand anders? Nou. Nee.
Ik denk eerlijk gezegd niet dat die vragen gesteld zullen worden. Waarom
niet? Is het omdat mijn afwezigheid niet als vervelend wordt ervaren of,
erger nog, niet eens wordt opgemerkt? Omdat ik niet meetel als ploeglid of
als mederoeimens. Is het omdat niemand om mij
geeft? Nee. Of
liever, dat weet ik niet. Die vragen worden gewoon niet gesteld omdat het
louter hypothetische vragen zijn; ik bén namelijk helemaal geen roeier Waarom ik
niet een roeier ben? Nou, vooral de uitstraling van zekerheid staat me tegen.
Nou zie je op bijvoorbeeld de vrijdagen wel ‘ns een viertal vrolijk kakelende roei(st)ers die elkaar met de riemen
meer naar het leven lijken te staan dan doelgericht te roeien, maar och… de
uitzondering bevestigt ook hier de regel. Roeiers lijken altijd zo ontzettend
goed te weten waar ze heen willen. Je ziet aan ze dat ze dat weten en ze het
ook samen eens zijn als ze roeien. Samen met één doel. En dat is niet mijn
stijl. Ik ben juist gefascineerd door processen van wikken en wegen. Ik
verwar twijfel, de momenten waarop de sappen en stroompjes in de hersencellen
zorgvuldig aan het afwegen, aan het kiezen zijn, niet met gezwalk. Twijfel is
niet altijd zwakte. Maar het past niet bij ‘n twee, ’n vier of een acht in
actie. Dat zijn teams die doelbewust, samen en met de rug naar de toekomst,
voorwaarts varen. Nu zou je kunnen tegenwerpen dat ze soms omdraaien en dus
best wankelmoedig, niet altijd zo zéker van hun doel zijn als ik
veronderstel. Maar daar breng ik dan tegenin dat ze wel degelijk steeds goed
weten waar ze heen willen. Ook als ze omdraaien. Want dan willen ze gewoon
ergens anders heen. Naar dat ‘ergens anders’ willen ze dan wel ineens; en met
z’n allen. En dat is nou eenmaal niks
voor mij. Ik geniet er juist van met de blik vóóruit niet precies te weten
waar ik heen ga. Heerlijk iets te beginnen óm iets te beginnen en je te laten
verrassen door het initiatief van de loop der
dingen. Dat was ook zo toen ik de eerste letter van dit stukje op papier
zette. Toen wist ik écht niet dat ik ging opschrijven roeien maar niks te vinden. Begrijp me goed; ik vond dat toen ook al
hoor. Maar dat die gedachte nú naar boven zou komen…dat ik er over zou gaan
schrijven… Wat we
niet weten of kunnen voorspellen intrigeert me meer dan onze zekerheden!
Vanaf mijn prille jeugd was mijn adagium “we zien wel waar we uit komen”.
Echt, niet alleen als het zo uit komt. Niet dat ik met alle winden mee waai,
hoor. Maar ik ga wel graag waar de wind me brengt in plaats van het vooraf te
weten of samen te zwelgen in eensgezindheid over het doel. Ik mag graag eens
de kop in de wind steken, tegen de stroom in gaan. Beetje tegendraads? Natuurlijk.
Dat pást een zeiler ook. De
uitdrukking ‘ik zie wel waar de wind me brengt’ betekent niet altijd ‘met de
wind mee’ hoor. Bedrieglijke eenvoud; als het flink waait kan het juist
onaangenaam en onverantwoord zijn je met de winden te laten meewaaien. Klopt
misschien ook als metafoor? Is populistisch zeilen ook vóór de wind (met de
wind mee) drijven? Want dat gaat maar ’n tijdje goed; bij zeilen eindigt de
weg van de minste weerstand aan lagerwal. Na de branding komt de stranding.
In de kleuren van zand en wit schuim; coup soleil! G.B. Rom GBRom@kpnplanet.nl
|