|
|
Vada Varia, nr. 3 2006
|
|
|
Soms
doe je wat stoms.
“Saai, die verhalen van
watersporters waarin je er steeds maar leest hoe goed zij of hij wel niet is.
Veel leuker te lezen over stommiteiten. Als je er zelf om kunt lachen… Twee
jaar geleden zeilde ik mijn boot, Tilman, in een
klein weekje met Ralph terug van Ysted in zuidelijk
Zweden naar Wageningen. Ralph is een karaktervol en aangenaam mens. Geen
enkel probleem met generatiekloven, hoewel ik al tegen de 35 liep toen hij ’n
kwart eeuw geleden geboren werd. We hadden een schitterende en probleemloze
zeiltocht. Redelijke wind, warm weer en prachtige zeenachten. Daarom ook
hebben we maar één keer ’n nacht in een haven gelegen; in Rendsburg,
aan het Oostzeekanaal. Peter Burghouts
Ook in de
nacht liepen we Maasmond bij Hoek van Holland. Dat was in het begin van de eb
en dus verkeerd tij. Pas om een uur of vijf in de ochtend, donker nog,
dieselden we onder de Erasmusbrug door. Die hoefde
niet te draaien deze keer; het was inmiddels laag
water. “Officieel 12,90 meter meneer, in het midden
dus dertien-tachtig“ meldde de uiterst vriendelijke
brugwachter op kanaal 18. De Koninginnebrug draaide ie
wel. Ik hoefde niet eens gas te minderen. Het schemerde toen we daarna langs
het troosteloze, half dichtgetimmerde stukje Rotterdam aan de zuidoever van
de Maas voeren. Tot nu toe waren we deze nacht alle twee opgebleven; in de
aanloop van Maasmond en het drukke gedoe voor Europoort en op de Waterweg is
niet alleen veel te zien, maar ook te beleven; je moet dus alert zijn. Zeker
in de nacht. Fijn als je dan met z’n tweeën bent. Vanaf
hier mijn voor de gelegenheid opgeleukte reisdagboek: Rotterdam – Wageningen: “Ralph
gaat nu even slapen. Ik stel de stuurautomaat in, ruim wat op in de kuip en
zoek een kussentje om aan de reling te hangen zodat ik lekker kan zitten en met
de joystick het roer kan bedienen. Als ik me in de bakskist
voorover buig om een kussentje te zoeken zie ik de bij deze waterstand hoge
kade niet maar neem die wel waar vanuit de ooghoeken. Als ik mijn hoofd weer
optil zie ik het onheil wel. Ineens, griezelig dicht bij, de droog liggende
keien aan de oever onder langs de kade. Ik sla de stuurautomaat van de
helmstok en geef een zwengel aan het roer. Maar het
is een meter of drie, ’n seconde, te laat. Met een klap stuitert de boot over
de keien heen en komt meteen weer in dieper water. Mijn hart klópt niet, het
zoemt met een frequentie waarmee ik met gemak de marathon binnen drie
kwartier kan lopen, het kwijl loopt uit mijn mond of
uit …, Ralph komt verschrikt naar buiten gespurt om het vege lijf te redden
en … de wereld draait door alsof er niets gebeurd is. Geen reddingsdiensten,
bergingsbedrijven, brandweer, marechaussee, ambulance, burgerwachten of het
Ministerie van V & W die mijn vaarbewijzen, navigatiediploma’s, vergunningen etc.
met onmiddellijke ingang en terugwerkende kracht komen innemen. Geen
milieupolitie die mij komt opbergen omdat het gezoem van mijn hartkloppingen
alle radiofrequenties stoort. Ook geen applaus op de kade van hordes
bewonderende of juist joelende Rotterdamse populisten, geen Opsteltens en andere plaatselijke functionarissen die
mijn poging om verloederd Rotterdam voorgoed van de aardbodem te doen
verdwijnen willen sponsoren met het toch al niet legaal door aannemers en
vastgoedhandelaren verstopte geld in partijkassen. Ook geen Rijkswaterstaat
die mijn poging om vanaf Feyenoord een directe doorsteek naar de Oude Maas en
het Haringvliet te forceren met een originaliteitprijs luister wil bijzetten
of het KNMI dat zo snel mogelijk bij het centrum van de beving waarnemingen
wil doen. Zelfs geen Van den Nieuwenhuisen die me
een werf aanbiedt om mijn Tilman te herstellen als
ik tenminste bankgaranties kan tonen. Nee. Helemaal
niets van dit alles. Slechts de anticlimax van vrolijk in het water weerspiegelende lichtjes van lantaarnpalen,
verkeerslichten, auto’s, reclameborden etc. Zodat mijn hartslag langzaam
terug loopt tot onder de 300 en een half uur later 100. Ik doe voorlopig
onderzoek aan de boot; er spuit nergens water naar binnen, de
instrumenten werken naar behoren, het roer werkt als vanouds en Tilman vliegt niet meer maar vertoont weer verschijnselen
van een werktuiglijk voortbewogen vaartuig. Ralph doet onderzoek aan mij;
hij observeert me langdurig, schijnt met de lamp in mijn ogen, laat me eerst
aaaaa… en daarna AAAAA… zeggen terwijl hij door
mijn keel in mijn hersenen kijkt, vraagt hoe ik heet, of ik kinderen,
kleinkinderen en achterkleinkinderen heb en hoeveel 2 plus 3 is. Tenslotte
vraagt ie me om voorzichtig mijn ogen naar links te
draaien terwijl ik mijn rechterarm optil. Ik gedraag me en vraag hem dus niet
het nou ook eens precies andersom te vragen. Na deze medisch
testen mag ik hangend nader onderzoek weer voor stuurman spelen terwijl hij
uitrust. Urenlang zit ik nog na te denken
hoe en wie ik van dit bijna-ongeluk de schuld kan geven. Allereerst de Maas
natuurlijk; het water staat veel te laag waardoor de kade, door de ooghoeken
bekeken, slechts de schijnbegrenzing van het vaarwater is zodat zelfs een
betere schipper als ik verleid wordt geen rekening te houden met het stukje
droogvallende bedding naast die kade. Of Rijkswaterstaat die hier, ’n meter
of drie uit de kant niet eens groene boeien heeft gelegd. Of Anton, onze
stuurautomaat, die geen koers houdt maar grote zwiepers maakt. Misschien wel
de accu’s of de dynamo die niet de goede kwaliteit stroom leverden aan Anton.
Moet ik Anton, als we thuis zijn nog eens vragen. Nu niet; “Niet storen
tijdens het rijden”. De meest voor de hand liggende schuldige is natuurlijk
Ralph die door op zijn rechterschouder te liggen en veel te hard te snurken
de boeg extra stuwing naar stuurboord gaf waardoor de stranding werd ingezet.
Maar nee. Ik krijg de aanklacht tegen anderen niet rond; ben ik zelf
misschien de enige schuldige? Ik wist dat die stuurautomaat slingert, zeker
als ie net aan staat. Om dan iets anders te gaan
doen en even niet op te letten… Heel dom? Nee. “Een klein beetje dom”. Komt
per slot van rekening in de beste milieus voor. In de
herfst Tilman op het droge gezet. Ja. Er zit een
schram op de kiel. En op het roer. Niet diep hoor. Zou
erdoor kunnen zijn veroorzaakt. Degelijk hoor, zo’n
S-spant. Peter
Burghouts.
|