|
|
Vada Varia, nr. 4 2006
|
|
|
Berenburg,
haring en oude jenever
Vooral watersporters hebben het. Door de
bank genomen toch mensen die geld genoeg hebben om een poging te kunnen doen
hun smaak te ontwikkelen. In die kringen wordt het vaak met veel gebral
geroemd als een godendrank. Het moge duidelijk zijn dat ik die god niet
aanhang. Dwalingen zijn van alle tijden. Friezen hebben ontegenzeglijk verstand
van kievitseieren, fierljeppen, het ombrengen van de Heilige Bonifatius, klünen en het
melken van koeien en Duitse toeristen. Helemaal geen schande je te moeten
toeleggen op karnemelk en gortepap. Maar accepteer dat. Want, wees eerlijk,
Bérenburg... Als je normaal functionerende smaakpapillen hebt en een beetje
innerlijke beschaving … G B Rom
Hoewel de Belgen natuurlijk mooiere bieren brouwen dan
wij, Nederlanders, kunnen we er best wat van. Natuurlijk verrijkt menig
Schotse Malt je leven meer dan oude jenever (Korenwijn) van vaderlandse
bodem. Maar de verarming die bij die Malts vooraf
gaat aan het weldadige aroma en nieuwe tongbelevenissen of pas als nadronk
gestalte krijgt in een vleug fruitige bankperikelen, bederft voor ons,
zuinige Nederlanders, veel van de pret. Zoek ook niet het raffinement van een
aperitief van Italiaanse snit in die oude jenever. Maar we hoeven ons er echt
niet voor te schamen. Integendeel. Maar al steken misschien over ’n jaar of
dertig de kruidige Bords de Tjeukemeer, de fruitige
Côtes d’Opheusden, de
frivole Pinot Nude en de
hoekige ietwat rokerige Domaines Renkum de Rothschilds en Pomerols naar de
kroon, voorlopig zitten we toch met uitglijders als Berenburg. Er is troost;
ook elders zijn naargeestige brouwsels bedacht die
vrij mogen worden verkocht. Wat te denken van gin, van wodka, van de meeste
soorten Bourbon? Om over onze nationale schandes,
Oranjebitter en jonge jenever, nog maar te zwijgen. Hoe is het zo gekomen, die Berenburg? U weet natuurlijk
waarom wij vers gesneden uitjes bij de haring eten. Gevolg van armoede. Vlees
was een eeuw of zo geleden ónbetaalbaar voor Jan Rap en zijn maten. Hoewel
goede vis ook al duur betaald werd was haring goedkoop volksvoedsel. Voor die
Jan Rap c.s. was de menukaart kort en iedere dag eender. Om de tot weerzin
leidende reuk en smaak van de soms half rotte haring te camoufleren of
overstemmen werd sterk smakende gesneden ui op de haringlijken gestrooid. Zo was Friesland in de 19de en begin 20ste
eeuw een arme regio. Met grote behoefte aan een vlucht uit de sombere werkelijkheid. Ik stel mij voor dat - die Friezen goedkope jenever, jonge dus, toen ook
ondrinkbaar vonden. ’N beetje smaak hadden ze toen nog wel. Geen wonder; hún
zintuigen waren nog niet gedegenereerd door de dagelijkse blootstelling aan
asfalt, gsm’s, SBS6, filemeldingen, André Rieu en
andere uitwassen van hedendaagse verloedering. - ze de jenever behandelden conform de smaak van hun
heilige koeien. Gras, weidekruiden en/of gedroogd veen moest een tijdje
“trekken” in die inferieure jenever in de hoop de tot walging leidende smaak
te camoufleren of te overstemmen. Het onderste uit de kan
van de jeneverstokerij werd zo opgewerkt met wat de wei en het veen bood op
een wijze die overging van vader op zoon. - dit alles zo was tot die gedenkwaardige 13e
oktober van het jaar Onzes Heren 1874. De
ontwikkeling van Berenburg zou - nu van zoon op vader – een onverwachte
wending hebben genomen toen Joukske, de jongste
zoon van Jouke Joukesma,
op die dag om elf over vier in de middag per ongeluk een paar katjesdropjes
liet vallen in het borrelende brouwsel van (goedkope dus jonge) jenever en
plaggen uit het Joukerveen. Joukske
zou namelijk de dag ervóór twee cent gejat hebben
uit de pachtbeurs die zijn vader de volgende dag moest overdragen aan zijn
baas, Boome Boomsma. Joukske
zou met die 2 cent een halve ‘punt’ (ongeveer 40 gram) utjesdrul
(katjesdrop) gekocht hebben bij de weduwe Sonnema.
Met grote gevolgen; Jouke zou zijn ontslagen wegens
verduistering van die 2 cent maar aangifte afgekocht hebben door Boomsma een
kruik van zijn Berenburg te geven natuurlijk in de hoop dat Boomsma dat
dropsupplement niet proefde. Maar dat was wel degelijk zo; hij zou de kruik
diezelfde avond nog soldaat gemaakt hebben en de volgende dag, ondanks een
kater van Heeg tot Dokkum,
besloten te hebben in de drankhandel en -productie te gaan. Hij nam Jouke weer aan, maakte ‘m chef afdeling spiritualiën en
droeg hem op zijn huisrecept voor Boomsma te gelde te gaan maken. Een snelle
beslisser, die Boomsma. De strijd om de marktaandelen van Berenburg zou dus
voortaan worden gevoerd met de geur van veenplaggen
etc. waarop de jonge jenever wordt getrokken en de vraag welke dropsoorten
worden bijgemengd. Recepten zijn geheim maar kenners beweren te weten dat
Boomsma nog steeds voor katjesdrop gaat en Sonnema
voor muntdrop en een of meer zoute griotten per
hectoliter. En waar een mooie whisky minimaal 10 jaar, maar
liever veel langer in bijvoorbeeld oude sherryvaten moet rijpen, schijnt men
voor Berenburg oude voederbakken te gebruiken en verklaart men het spul al na
een week op dronk. Om u en wellicht de Friezen de geest te laten krijgen de
volgende tip: koop eens ’n keer góéie haringen. Dus niet van die
geplastificeerde slijmmummies van ’s lands grootgrutter.
Eet ze niet te koud met dun gesneden geroosterd en afgekoeld maar knapperig
volkorenbrood (tarwe, geen bijmengsels als rogge, sesam etc.) dat, toen het
nog warm was, bestrooid is met wat zeezout. Drink er een glaasje oude en
koude jenever bij. Alles natuurlijk zonder uitjes en absoluut geen peper;
hooguit ’n enkel blaadje verse kervel. Gun uw smaakpapillen tijd; eet dus
rustig met kleine hapjes en neem niet één maar tenminste
twee en liever drie glaasjes jenever. Eet tenminste
één haring per glaasje. Daarna zult u het met mij eens zijn; als u ooit
‘Berenburg’ en/of ‘Jonge’
dronk was dat een misstap. Het zij u vergeven; iedereen maakt fouten. G.B. Rom GBRom@kpnplanet.nl
|