Vada Varia, nr. 4, oktober 2004

 

 

In het kader van de integratie

 

Het begon met een spraakverwarring. Poolse Agata hoorde dat ik ‘had been rowing’ en vroeg of ze niet eens mee kon, want dat deed ze in Polen ook graag. Natuurlijk, leuk, kom maar mee! Alleen viel me op dat haar gebaren bij het woord ‘rowing’ niet klopten. Toch even checken – “zeg Agata, als jij roeit, ga je dan vooruit of achteruit?” Vooruit dus. Ja, dan kan je beter niet bij ons instappen maar wie weet kan je met de kanoërs mee. Of ik ook meedoe? Och ja, waarom niet?

 

Zondag rond koffietijd wiebelde ik mijn weg door de haven onder enthousiaste en behulpzame aanmoedigingen overal vandaan. Handen uit elkaar! ’t Is geen roeiboot! Niet trekken – duwen! ’t Is geen roeiboot! Hou je peddel dicht langs de boot, ’t is geen roeiboot. Sturen met je heupen. Met mijn heupen?! Ja, kijk, zó. ’t Is geen roeiboot! Gaandeweg begon ik te beseffen dat een kano geen roeiboot is. En dat kanoën desondanks best erg leuk kan zijn. Helemaal toen op het keerpunt werd gepauzeerd met koffie en koekjes.

 

Op de terugweg heb ik de kans om mee te surfen op de golven van grotere boten aan mij voorbij laten gaan. Volgende keer. ’t Zag er wel leuk uit… Voor één keer strak onder de verkeerde wal (bakboord) varend, en genoeglijk kletsend, peddelde ik terug. Die verkeerde wal, dat kán, want je ziet waar je heen gaat én wie er van voren komt (natuurlijk wel netjes stuurboord wal houdend). Handig!

Kortom, lekker gevaren, leuke mensen, aangenaam moeie armen. Wanneer kunnen we een tegenbezoek verwachten?

Want een kano houdt natuurlijk één nadeel: ’t Is… Juist.