Vada Varia, nr. 4 2005

 

 

Bedachtzaam reizen 

 

 

Soms, als hij trachtte er weer een verhaal uit te persen en hij met lichtkleumende vingers de toetsen van zijn typebord beroerde dacht hij wel eens:

“Waarom steeds maar schrijven? Waarom niet de verwarming wat opgestookt? Waarom geen hete thee gezet? Waarom niet in de tuin gekeuteld? Waarom geen kunstwerk geschilderd?”

 

Maar de thermostaat zat beneden tegen de muur en ook voor de thee diende de trap weer te worden afgedaald. Dus volstond hij met het aantrekken van een warme trui die vanuit zijn ooghoek zichtbaar op de vloer van de overloop voor de wasmand was neergesmeten omdat hij stonk naar zweet en rook uit een druk café waar hij de avond tevoren uitzinnig gedanst had op de klanken van een niet onverdienstelijk spelende bluesband, bestaande uit een drummer, een zanger/mondharmonicaspeler, twee gitaristen en een collega saxofonist waar hij nog wel het één en ander van kon leren.

 

Overal moest hij zelf maar voor zorgen en schrijven was een buitengewoon eenzame bezigheid zo realiseerde hij zich. Geen contact met het geliefde buiten noch met andere innig geliefden buiten dit stille huis in de mooi groene, maar uiterst saaie -want tegenwoordig kinderloze- straat.

De zonwering diende bovendien gesloten te zijn, omdat de zon anders weerkaatste in het beeldscherm dat trouwens nodig eens mocht worden schoongemaakt gezien de vetvlekken die op het glas zichtbaar waren geworden en het stoffige randje dat als een verwaarloosd vensterbankje uitstak onderaan het grijzig glas. Sporen van ontreddering? Een lichte schok doorvoer hem. Een alarmerende conditionering, geërfd uit opvoeding en milieu? Mocht ontreddering niet zijn?

 

Hij verstelde zijn stoel om te ontkomen aan zenuwpezerige uitstraling in zijn linkerbovenbeen die hem eraan herinnerde, dat ontspannen en goed zitten hem nog geruime tijd zou kunnen vrijwaren van eerder meegemaakte, uiterst pijnlijke rugproblemen. Hij wilde er liever even niet aan denken. Het was voor hem nu eenmaal moeilijk te accepteren, dat zijn actieve levensstijl dreigde te worden ingeperkt door fysieke terreur.

Leven als een razende Roland, alles en iedereen meemakend en er pas gelukzalig uitgeleefd bij neervallen in uiterst versleten toestand.

Dát was zijn devies.

Meestal bleef hij de ongemakken met slimmigheden de baas, maar soms keerden zij geniepig onverwacht terug.

Zoals laatst, toen hij weer eens een 4 uur durende wandeling gemaakt had op een prachtige plek, in het door industrie en intensieve bewoning deels verpeste landje, een plek als een oase van stille verwondering, die in nog geen 3 kwartier per fiets bereikt was en met diezelfde fietstocht terug beëindigd was.

Toen trok hij thuis zijn voor zo’n tocht minder geschikte, bovendien te kleine, oude schoenen uit waarna bleek, dat zijn teengewrichten uiterst gevoelig waren geworden en flink gezwollen bovendien, zodat hij op de buitenzijden van zijn voeten diende te strompelen om het welverdiende warme bad, dat boven gestaag vol liep, te bereiken.

 

In een driftig gebaar van ergernis flikkerde hij de al wat afthans ogende schoenen in de stinkende kliko zonder de op zichzelf nog bruikbare veters eruit te rijgen en nam zich voor de volgende ochtend naar A. te fietsen om zich aldaar stug gezoolde maar goed afrollende wandelschoenen te laten aanmeten bij een goed bekend staande buitensportwinkel, zijn hierdoor ongetwijfeld alarmerend slinkende bankrekening ten spijt.

 

Hoewel lichte honger knaagde in zijn ingevallen, slechts met maagzuur gevulde maag, vergunde hij zich even níet een warm geroosterd broodje met boerenkaas, licht bestreken met grove mosterd en een beker hete instant soep, omdat de woorden zo lekker uit zijn machine ratelden.

 

Werd hij langzaam maar zeker een vegeterend asceet? Een holenbeer in actieve winterslaap? Een afgezonderd, mediterend monnik? Een kluizenaar levend van wat de wind hem bracht? Een pelgrim op tocht naar series korte verhalen rechtstreeks en gratis uit zijn immer woelend brein ontsproten?

Was hij niet liever een globetrotter met niets anders in zijn mars dan stokbrood en chêvre, wijn en vers fruit? Eeuwig zorgeloos zwervend langs bloeiende heidevelden, venige moerasgebieden, zanderige verstuivingen omzoomd door breed uitwaaierende vliegdennen? Struinend dwars door loofhoutige bossen en weerbarstig struweel? Intens genietend van weidse vergezichten en traag door glooiend laagland stromende rivieren? Klimmend over grillig gevormde rotsachtige massieven, groen bedend en wit getooid? Wadend door sappige weiden en wuivende rietvelden? Omgonsd door veelpotige insecten en omfloten door gevleugelde vrienden van diverse pluimage?

 

Maar ook dáár zou hij worden omsloten door de begrenzende eenzaamheid binnen in zijn eigen persoon. Zijn grootste orgaan, zijn huid, zou hem blijven omgeven, vormen en inperken tegelijk. Deze huid zou hem omhullen,  beschermen, maar tegelijk afschermen en beperken, gevangen zetten en zo ook bijeen houden en hem laten zien zoals hij was.

Dus kon hij maar net zo goed thuis blijven en zijn gedachten van zich af toetsen op zijn zoemend machien.

 

Slechts zijn handen waren nu nog koud, ondanks en door, het ijverig bewegen en hij realiseerde zich plots een brainstorm wereldreis van allure te hebben gemaakt voor de prijs van nauwelijks zesendertig minuten leven in relatieve kilte en wat elektrische stroom.

Tevreden nestelde hij zich onder zijn balkon. Regen druilde zachtjes neer.

 

Toon Hoefsloot