Vada Varia, nr. 4 2005

 

 

Losvaren, terug naar de essentie, terug in het gevoel

 

 

Vrijdag 15.07.2005.

Klaar maken voor over stuurboord rond. Inpakken en wegwezen voor een solo kayaktocht van 16 dagen. Volle fietskar, hup naar VADA. Het is licht bewolkt weer, drukkend warm. Daar hou ik van. Zoals van alle weer. Kayak uit de loods gesleurd, op het vlot gelegd en onder toeziend oog van passanten met een klein brutaal zoontje dat de ganzenveer van de punt van mijn boot wil trekken, laad ik drie waterdichte compartimenten stuk voor stuk af. Karretje en zwemvest knoop ik op het achterdek. Tegenwoordig maal ik daar niet meer om. Fiets en kar stal ik in de kleedkamer (daar is toch niemand) en ik daal het talud af voor de start van het Grote Avontuur.

Even wennen weer aan een zware kayak. Beladen reageert die minder snel en het op gang brengen kost meer kracht. Ik heb geen plan. Ik zie wel. De boot slaat rechtsaf, richting Rhenen. Bij de Grebbeberg komt ineens op: “Hé, de Grift en het Valleikanaal. In 2 dagen op het Randmeer.” Ik bedenk me geen moment en vaar de Grift in. Dit mag niet van de Groene Lobby, maar ik doe het lekker toch! Het uitstappen bij de woonboten, die daar wel (!?) mogen liggen is nog geen sinecure. Hekjes, aangelegde tuintjes en argusogen achter de ramen. Ik vind een plek, stap uit, sleur de boot omhoog. Nu weet ik ineens weer waarom trektochten met meer mensen zo handig zijn. Het karretje gaat eronder en even later rijd ik tussen gewillig stoppende auto’s door naar de Grift. Twee norse vissers kijken niet op of om als ik vriendelijk groet en tien meter uit hun buurt de kayak weer te water laat. Er wordt veel Rijnwater binnengelaten. Van wal stekend bedenk ik tevreden: “De eerste hindernis is vlekkeloos genomen”. Een klein stroompje in de rug is ook nooit weg. De Grift is hier een zeer fraai riviertje. Links Heimerstein. Ik denk terug aan de tijd, dat iemand van VADA wel eens boottochten organiseerde voor de veelal meervoudig gehandicapte bewoners van dit oord. Kan dat weer? Voor het goede doel?

Schrijvertjes schrijven hun eigen onbegrijpelijke alfabet op het water. Libellen jakkeren heen en weer als de Luchtmobiele Brigade. Daa’s steken mijn rug en armen lek dwars door mijn shirtje heen. Eendjes en futen alsmede een snip en ja, een heuse roerdomp zien mij zenuwachtig komen en maken zich uit de voeten. In alle rust –ik heb geen haast, het is geen wedstrijd- vlinder ik verder op dit van alle mensen verlaten stroompje. Ogen te kort om de landelijke, waterrijke rust en stilte in me op te nemen. Stilaan nader ik ‘t Veen. (Veenendaal). Twee bevaarbare stuwtjes vaar ik af. Honger. Ik pauzeer bij een recreatieplek tussen 2 torenhoge flats die me doen denken aan Rotterdam. Ineens herrie van auto’s, gierende machines, stank en stof. De stilte is er bij de gratie van dit kabaal. Ik laat alle impulsen gelijkelijk binnenkomen, een waarlijk zeer rustgevende verworvenheid. Brood met kaas, de waterfles bijvullen. Dan valt plots een wiel van mijn karretje. Gofferju, de vleugelmoer moet er in Rhenen al zijn afgelopen. Niks van gemerkt. Op zoek naar een goed geoutilleerde ijzerhandel. Meteen enkele reservemoeren ingeslagen, want het wordt niks zonder kar. Nog een aantal stuwen vaar ik af tegen de raad van waarschuwingsborden in, waarbij het water me bij de duik tot tepelhoogte komt. Bejaarde fietsers kijken al piknikkend ademloos toe hoe ik mijn waaghalzerij uithaal. Onverstoorbaar vaar ik door Renswoude en Scherpenzeel heen. De gang zit er goed in.

Het typische waterlinielandschap met de kazematten, nooit gebruikt waarvoor bedoeld gelukkig, wel door de jeugd om ontucht in te plegen en vuurtje te stoken. Ik nader Leusden. Hier woont vriend Paul. Ik ruk de boot op de kant, vraag een vriendelijk ogende mevrouw die zit te breien of ze op mijn boot wil passen en been gesurfschoend naar Bolwerk 26 en bel aan. Is tie er niet. Ik had nog wel op pizza gerekend. Ik druip af en vaar dan maar door naar Amersfoort, het minst leuke stuk. Heb ik dat tenminste gehad. Hup, nog een vuilvangbalk over met veel stinkende smurrie waar nauwelijks doorheen te varen is en een stuw omgedragen want te hoog om vanaf te varen en tussen de huizen en de straten vaar ik me vrij tot de grote stuw aan het eind van de stad. Een ferme overdracht per kar. (Leve de nieuwe moeren!) en eindelijk zie ik weer boten aan een soort steigerjachthaventje. Wat verderop doemt plots Kanoclub Keistad op. Ik bedenk me geen moment, land aan, sla mijn bivak op een fraai gemaaid terreintje op. Niemand te bekennen. Prachtig! Koken, bier drinken en de dag wegdromen. Een luchtballon drijft geruisloos de schemer in.

 

Zaterdag 16.07.2005.

Er is een toertocht van KV Keistad. Ik maak kennis met 6 vaarders en bedank voor de illegale gastvrijheid van de afgelopen nacht. Mijn rechter schouder doet zeer. Zeker te hard aan de boot getrokken toen bij dat hoge talud van de stuw. Muesli eten, opbreken, verse knaagworteltjes onder de dekelastieken. Het vaarwater ligt nu voor me open tot op het randmeer.

Er varen veel roeiboten op de Eem. Minstens de helft met een slechte techniek. Dat kan zelfs een kayakker zien. Ik snijd de bochten af met scherpe boeg, wat me op een reprimande komt te staan van een zeer gezette stuurvrouw van een dubbel vier: “Stuurboord varen is veiliger!” snauwt ze me vinnig toe.

“Fijn dat u me daarop attent maakt!” stel ik haar tevree. De Eem is ter plekke bijna Rijn breed en dus is er ruimte zat. En aanpassen zit niet meer zo in mijn systeem.

Onderweg zie ik futen, snippen, reigers, ganzen, eenden en weer een roerdomp. Het varen gaat moeizaam. Stramme rug, lamme armen. De eilandjes bij Nunspeet kan ik vergeten. Bovendien moet ik boodschappen doen. Ik heb zin in gamba’s. Daar waar ik een rij windmolens zie kom ik het randmeer op en sla rechtsaf. Ik ontdoe mijn boot van onzuivere aanklijfsels als kroos en rotte riethalmen. Eindelijk groot water. Er wordt flink gezeild. Dat komt, omdat er weinig wind staat. Het is dan ongevaarlijk voor kinderen en moeder de vrouw en derhalve tevredenstellend, ook voor de schipper.

Ik haal relaxed een fors kajuitjacht in, groet vriendelijk en zeg iets over het prachtige weer. Vermoedelijk uit pure frustratie dan wel dodelijke verveling of onbegrijpelijke haast zet de stuurman vervolgens de machine bij en strijkt het grootzeil zijn eigen rust ruw verstorend.

Ik ga de haven van Bunschoten in en leg aan midden in de dorpskom bij de bottervloot. Geweldige drukte wegens markt. Ik koop wat ik stouwen kan + nog een pond gamba’s en enkele bollen knoflook voor de innerlijke zuivering.

Ik besluit de sluis bij Nijkerk te pakken en dan uit te zien naar een bivakplek. Ik kampeer aan ’t water nabij een jachthaven. Prima plek. Bier, gamba’s en zon. Ik geniet, schrijf wat op, maak soep en lees in blote bast de dag uit. Inmiddels waait de lucht schoon en draait de wind naar noordoost. Morgen maar weer eens wat kilometers maken.

 

Zondag 17.07.2005.

Lekker lang geslapen ondanks aanpalende discoherrie voor de jeugd. In alle vroegte buiten een grapefruit pellen en muesli eten. Ik moet toch wachten tot de tent droog geschenen is. De hemel staat op strak azuur. Ik zie de wond’re wereld tot leven komen. De eerste bootjesmensen lopen slaapdronken naar het toilet, sommigen met hun kater onder de arm. Ik pak grinnikend mijn boot in, haal vers water en vaar af. Het ellenlange Randmeer. Tienduizenden zwanen rijgen de stranden als guirlandes aan elkaar. Ik pluk een aantal grote slagpennen uit het water, zet wat later de grootste majestueus op de voorplecht ter vervanging van de inmiddels afgeknoedelde ganzenveer. Andere veren geef ik weg aan een doofstomme rolstoeler die met z’n kin heel kunstig zijn vervoermiddel bestuurt. Hij lacht, terwijl zijn gezicht ronder wordt, maar kan niets zeggen. De veer maakt de technisch knappe stoel een tikje natuurlijker. Op een strandje strijk ik neer om brood te eten. Twee kleine kereltjes vragen meteen honderd uit over de kayak, waar dat vandaan komt, waar dat naar toe gaat, enz. De bijbehorende trotse moeder maakt foto’s van dit perfecte staaltje menselijke communicatie, alsof zij ook de woordenstroom kan vastleggen.

Ik was hier heel lang niet. Er is veel veranderd intussen. Van alles is er tegenwoordig meer. Meer speedboten, meer lawaai, meer hoge bootgolven, meer recreatie- en naaktstranden, meer spelende, zwemmende en huilende kinderen, meer vissers. Dus laat ik noodzakelijkerwijze weer alle impulsen gelijkelijk binnenkomen. Dat draagt bij aan mijn innerlijke rust. Tot vlak bij Roggebot vaar ik door en vind daar een vrijwel verlaten passantenhaventje. Bivak naast het riet, uitzicht over het water. Idyllisch. Wat ik mis is bier. Want dat is op. Nu ligt er één motorboot wat verderop. Ik klamp de eigenaar aan en vraag of hij mij 2 biertjes wil verkopen. Hij zoeken en… bingo! Ik vertel waar ik vandaan kom en hoe ik gevaren ben. Hij ontdooit op slag en ik mag niets betalen. Hij blijkt ook Vada lid te zijn en woont in Ede. Hoe kan het zijn! We babbelen wat over het wel en wee van de club tot ik honger krijg. We wensen elkaar nog een fijne vakantie. In rap tempo stook ik een Italiaanse maaltijd met veel pesto en knoflook en dat biertje erbij is als een verademing.

Nu ik zit te schrijven komt er een goedmoedige man aangelopen. Hij wil vissen vannacht en vraagt of ik weg wil gaan. Ik kampeer op zijn visstek. Ik lach vriendelijk, leg uit dat ik er net sta, moe ben en van plan ben morgen weer weg te varen. Zonder morren zoekt hij een andere stek. Prima! Aan de overkant ligt een rode boei. Majestueus vaart er een witte zwaan langs. Een meerkoet zwemt met typische hoofdbeweging voorbij, maakt af en toe dat typerend schelle geluid. Een vlucht ganzen vliegt –net nog in de ondergaande zon- in v-vorm voorbij. Het water spiegelt van windstilte. Mijn ogels zijn moe geworden van het licht. Ik drink warme kruidenthee, ruim op, poets mijn tanden en kruip in het dons. Af en toe zwiept de hengel van de visser, 10 mtr. verderop. De maan staat halfrond in het zuiden. De lucht is weer opengetrokken. De dauw is neergeslagen op mijn onvolprezen 1 boogs koepel. Ik zie nog net het lood aan de draad tussen de bomen uit, ver in het water plonzen. Hij ‘zit’ op paling. Rustig laten zitten.

 

Maandag 18.07.2005.

Wat een sprookjesachtige plek om wakker te worden: Zon in de snufferd, water voor de tent. Zwemmen! De visser is weggegaan. Ze wilden zeker niet bijten. Onder deze omstandigheden duurt het 3 kwartier eer de dauw van het doek is opgedroogd weet ik uit ervaring. Dus rustig een grapefruitje pellen en op het dooie akkertje de zooi inspitten. Vaste rituelen reeds. Ik zwaai nog naar de Wageningse buren maar ze zien me niet. Zij is net terug van een nordic-walk. Sportief type. Vroeger was met stokken lopen alleen voor hoogbejaarden of iemand met een gebroken wintersportenkel. Ik steek van wal af. De spieren voelen goed. Tot de sluis vis ik nog 3 prachtige zwanenveren uit de plomp, klem ze onder de dekelastieken. De sluis wacht op mij. Sympathiek. Een voorrecht voor grijsaards per kayak?

Naast mij ligt een zeer uit de kluiten gewassen motorboot. In de leren stuurstoel een dito kapitein met lubberende onderkin bedient de schroeven. Zijn vrouw doet in het gangboord het touwwerk.  Hij zegt wijs, dat ik van kayakken jong blijf. Hijzelf is er te oud voor want al 53 jaar. Hij heeft zijn zaak verkocht en is aan het genieten. Ik herken. Hij spreekt uit dat hij denkt, dat ik wel in hotelletjes zal overnachten. Ik denk van niet. Ik laat hem in de waan van zichzelf. Dan wil hij weten. Ik vertel. Wild kamperen, varen, koken etc. Waar ik dan vandaan kom. Ik vertel. Hoe oud ik ben. 57. Hij flikkert bijna uit zijn stoel. De deuren gaan open. Hij zwaait mij hartelijk en bewonderend uit.

Nog een lang stuk randmeer en dan de Ketel over richting Ramspol en Zwarte Water. Lange rukken. De lucht trekt dicht. Een mysterieuze sfeer valt over het heiig meer. Een laag vliegende aalscholver kruist mijn  weg. Een enkele meeuw krijst. Ik weet niet waarom. Misschien is het zijn zwanenzang. Ik zing ook maar eens een lied. De boeien geven aan, dat ik de afslag naar Vollenhove nader. Braaf vaar ik om het stiltegebied heen, ofschoon ik geen lawaai maak. Het is er zó stil omdat er zelfs geen enkele vogel te bekennen is. Onder een waterwerk door vaar ik Kadoelen binnen. Vollenhovens kanaal. Even een kijkje nemen in de haven. Een pakhuis van overmaatse plezierschepen. Wat een lol! Wat dezer dagen opvalt is, dat wel 90 % van de zeiljachten motort terwijl er prima te zeilen valt. Koop dan een motodoos denk ik hardop en zinloos opstandig.

Even de benen strekken bij een recreatieplek. Drie 25ers liggen in het gras. Alle drie zeer gevulde types zo te zien. Ik rek me uit, strek de benen, drink water en ga ook even plat. Staan ineens twee van de Rubens types voor mijn neus. Allemaal vibrerend vlees ineens om me heen. De gebloemde bikini’s lijken veel te minuscuul en te teer voor zoveel rondborstige rillebillig puilende rondingen. “Ben ik als schrielkip ineens interessant?” flitst het door me heen terwijl de schrik me om het hart slaat? Nee, de volronde dames vragen of ik een aansteker heb. De ontspanning treedt weer in. Opgelucht beaam ik dit terwijl ik rap in mijn ‘derde luikje’ graai. Een brede lach verschijnt op hun niet onknappe gezichten terwijl zij het vuur in hun sigaretten zuigen. Hun geluk lag in een klein vlammetje. Rokend en noodgedwongen heupwiegend zie ik 4 enorme tanga billen weer van mij weg drillen. “Samen nog niet half zo oud van jaren als ik”. denk ik nog. Sprakeloos vervolg ik mijn weg. Deinende massa’s op mijn netvlies. Vollenhove in zicht. Het gigantische, futuristische werfcomplex van Huisman. Door de vertrouwde stadswal vaar ik wat later de havenkom van Blokzijl binnen. Zou Hotelier Van Ens nog leven? Is de groentewinkel van die twee oude mensen er nog? Het VVV-stekje?

Eerst even schutten, dan het dorp in. De VVV-plek is er nog wel al zijn de toiletten buiten gebruik. Er is een nieuw VVV-gebouw in gebruik genomen, vandaar. De havenkom mist de grote steiger. Daarvoor in de plaats zijn kopplaatsen aan de wallen gecreëerd. Het is stil in de plaats. Zelfs restaurant Kaatje heeft het niet druk met hongerige, snobistische jachteigenaren met een teveel aan zwart geld. De groetenwinkel is gestopt. Daar prijkt nu een specialiteitenrestaurantje. Het is er leeg. De Gemeente overweegt de VVV-plek te verkopen. Er kunnen gemakkelijk 2 huizen op worden gebouwd. Dat levert meer geld op. Dus waarschijnlijk voor de laatste keer prik ik er mijn tentje bovenop en laat welkome herinneringen de revue passeren. Boodschappen moeten nu bij de Coöp buiten het centrum gehaald. Ik kook, eet, drink vers bier terwijl de lucht verder dichttrekt. De eerste weifelende spatten vallen.

“Het zal morgen ander weer zijn!” zegt een vriendelijke kapiteinse. Ik rijk 3 prachtig grote zwanenveren uit aan de kinders van een jong gezin op een kolossale huurboot. Ze zijn zichtbaar blij. Ik trek me, caramels etend, terug in mijn tent om te lezen als de regen uiteindelijk kletterend toeslaat. Het regent de hele nacht door. Een gezellig geluid dat uitnodigt tot dromen. Toch ben ik de volgende ochtend uitgeslapen en is de tent droog. Ik heb geen zin om 2 uur te wachten tot de douche bij het VVV gebouw open gaat. Inpakken, scheren en varen dus. Het Giethoorns meer ligt al snel voor me. Daar sla ik af de Kalenberger gracht in. Leuk, 2e huisjes kijken. Geen mens te zien op dit uur. Slechts een enkel schip vaart al. Mijn kiezen malen in kalm tempo worteltjes. In Ossenzijl kan ik de eerste kanokampeerders begroeten. Bijna niemand schijnt zich nog per kano of kayak al kamperend voort te bewegen.

Ik sla Linksaf de Linde op. Ik wil nu wel eens naar Kuinre en langs Langelille. Rond het middaguur wacht ik even op het schutten door het plaatsje Kuinre te verkennen. Dan gaat het de Tjonge op. Fraai vaarwater. Reigers in overvloed, evenals snippen en futen. De wind wakkert stevig aan. De scheg gaat uit. Ik hang tegen de dwarse wind in. Bij Echtenerbrug voel ik me moe worden. De harde wind eist zijn tol. Het Tjeukemeer ook nog tegen de wind in over boesteren is me teveel. Ik land aan bij een lintcamping langs de vaart. Ik mag overal staan. Zodoende zoek en vind ik een beschutte plek. Beter voor de tent sinds de bevestiging van een extra scheerlijn voor de boogstok stuk is. In het dorp koop ik kaarten voor bijna iedereen die ik ken en doe ze op de post. Dan koop ik pepermunt en wijn bij een zelfstandig neringdoende en kook de lekkerste maaltijd tot dan toe. Heerlijk word ik zachtjesaan een beetje dronken. Benieuwd of ik thuis nog wel kan lezen wat ik hier opschrijf. Het koelt vroeg af. De trui moet aan en de lange broek. Ik heb zin in kroeg. En om een dierbaar persoon te bellen, maar ik heb geen telefoon bij me. Ik ben onbereikbaar. Geïsoleerd. Terwijl de klok rondloopt slaap ik mijn roes uit dwars door het winderig geraas van bomen en takken. Op mezelf aangewezen droom ik onrustig door de nacht.

 

Woensdag 20.07.2005.

Die ochtend is de wind nog aangewakkerd. Flessen vullen, zak oprollen, spullen stouwen. Boot te water. De grote oversteek wacht. Voor ’t eerst de anorak aan. Varen. De golven staan recht de vaart in. Tjeukemeer een schuimbekkende binnenzee. Voortgang iets meer dan nihil. Geen tijd om rustig warm te peddelen. Aardappelbult zonder eb of vloed. Het kost me anderhalf uur om bij de Follegabrug te komen. Bikkelen en beulen. Kapotzitten. De golven zijn zo hoog en kort dat de boot keer op keer op het water slaat. Dat kost vaart en energie. Steeds weer water opvangen op de hoed. Het is een illusie te denken, dat je het als kayakvaarder droog kunt houden. Het komt gewoon via de kraag binnengutsen. Follegasloot. Op naar het Brandemeer. Kleiner, maar zeker zo venijnig. Het lijkt erop, dat Sloten het eindpunt wordt vandaag. Lunchen en opdrogen in een stille kroeg. Waar zitten toch alle toeristen en bootjesmensen?

Ook Sloten is zeer stil om niet te zeggen vrijwel uitgestorven. In de winter is dat normaal maar in de zomer….. Wél heel veel grote afgemeerde jachten met de gordijntjes dicht. Zeker allemaal voor €29.- naar Istanboel. De stadsgracht door. Weer vrijwel niemand te zien. Een kwartier later ligt het Slotermeer schuimbekkend als de derde penitentie voor me. Ik zet koers naar Balk, pal tegen de wind in en vaar noodgedwongen in hoog tempo. Als een verzopen kat vaar ik Balk binnen. Ik ben kapot moe. Even lopen. Ik koop spek, ui en prei. Meer heb ik niet nodig, het is uit een goed hart. De winkelier begrijpt. De Luts ligt goed beschut. Terwijl onweer overdondert, vaar ik eindelijk op stil water. Alsof alles vanzélf gaat. Een fraaie vaarweg bovendien. Zeker het middelste stuk dat onder beheer staat van Staats Bosbeheer en waar een zware straf staat op wild kamperen. Ik kom weer wat bij bloed van de mega-inspanning.

Losjes vaar ik door zo min mogelijk energie verbruikend. Beweging, zo houd ik mezelf voor, zorgt voor afvoer van afvalstoffen en zodoende vermijd ik spierpijn voor de volgende dag. Aan het eind van de vaart (ik ben alle mooie kampeerplekken voorbij gevaren) is weer een meertje dat grenst aan de Morra. Ik moet nog eens goed leren op tijd te stoppen. Het blijkt één meertje te ver. Als er net een zware bui overtrekt met loeiharde wind, weet ik: ik trek het niet nóg een keer. In de wind keer ik om als de golven alweer om mijn tors lekken en capituleer voor dit petieterige meertje. Bij een botenstalling vind ik een beschutte plek achter een hoge rietkraag. Daar word ik door niemand gezien. Bivak maken. Spek bakken. Veel eten. Vroeg in de zak om te herstellen van de zware slag die dag. Ik lig stuk. Voel mijn arme lijf natrillen. De armen kan ik nauwelijks meer optillen. De ogen vallen als vanzelf dicht.

 

Donderdag 21.07.2005

De nacht doorgeroezeld. De wind is onveranderlijk keihard. Geen zin in actie. Om half één begint het dan tóch te kriebelen. Grapefruitje pellen. Boterhammen eten. Vertrekken vanuit het zijmeertje. Het is geen weer voor een solo oversteek op het Ysselmeer. Zo vlak bij Stavoren besluit ik de Fluessen op te varen naar Heeg. Beaufort 7 schuin achter. Hoge golven, schuimkoppen als in de branding bij Monster. Goed geconcentreerd varen. Zwemvest aan. Edwin, Daan en Tom zouden hiervan genoten hebben. Haiko zou het waarschijnlijk onverantwoord gevonden hebben. Slechts een enkele zeilboot, onveranderlijk op de kleine fok, varen in dezelfde richting. Het meer een heksenketel. Het water klotst me onder de oksels. Regelmatig laag steunen. De rode boeien zijn mijn leidraad. Skutsjes varen gesleept naar Stavoren voor de eerste wedstrijd op het Ysselmeer.

Er heerst een soort saamhorigheid op ’t water. Zo van: “Dat doen we toch maar even!” Iedereen groet. Sommigen schreeuwen wat heldentaal naar mij. De betekenis ontgaat me door het geluid van het geweld, maar het zal zeker goed bedoeld zijn. Ik vaar onverstoorbaar door op routine. Het is zwaar, maar ik heb gisteren en met Pinksteren op het Ysselmeer goed geoefend. No swet. Heeg komt in zicht. Een heel ander dorp dan ik vroeger kende. Ook hier: van alles méér. Meer vakantiehuizen, meer jachthavens vol met meer grote schepen gefinancierd met méérwaarde huis etc. etc.  Op zoek naar een goede overnachtingsplek doorkruis ik de vaarten.

Buiten Heeg vind ik die bij een sympathieke boer op een primitief kampeer eilandje. Hij geeft me alvast een douchemunt en een hand. Ik voel me op slag thuis. Tent op een goed beschutte plek. Wat kinderen komen met de kayak spelen en frisbieën met mijn Veluwerallybord. Met de roeiboot vaar ik naar het dorp, koop wijn, bier en Portugees gekruide kipstukjes. Dat word een 3 sterren maaltijd met soep vooraf en Friese worst toe. Ik val alweer bijna om terwijl wat miezerige regen in vlagen neerdaalt. Het geeft allemaal niets. Morgen even wat bankzaken regelen (er staat ineens geen saldo meer op mijn rekening en dat is lastig als je op vakantie bent) Dan even lekker warm douchen en hup, schoon de zak in.

 

Vrijdag 22.07.2005

Een heuse rustdag. 4 tot 6 kinderen spelen in en om mijn kayak. Plezier en jolijt. Prachtige verhalen en fantasieën worden uitgesponnen. Ik luister en beschouw vertederd. In de loop van de dag wordt duidelijk: 1 meisje heeft 3 moeders: haar echte moeder die haar heeft afgestaan en twee pleegmoeders, een getrouwd lesbische stel. 2 Aziatische zusjes blijken geen zusjes maar door een kinderloos stel geadopteerd uit geheel verschillende delen van China. Een ander meisje heeft haar vader nooit gekend en woont bij haar pleegvader en moeder. Van een jongetje is de moeder dood zodat hij nu is toevertrouwd aan de zorgen van de nieuwe 20 jarige liefde van zijn vader. Zo is er van alles mogelijk. Lopen er nog wel kinderen rond die in een traditioneel gezin opgroeien?

Ik lummel wat rond, gooi frisbee, kijk in het dorp uit naar een nieuwe geplastificeerde waterkaart van Friesland, koop nieuw gas, trotseer wat regen en wacht vergeefs op zon. De baas, Fokke voor insiders als ik, fietst wat rond, maait wat gras af en hoopt ook voor de klandizie dat het beter weer wordt. De slager verkoopt mij weer een voortreffelijke vleessaus. Maaltijden maken voor 1 persoon wordt zo een feest, zeker met nog een halve liter wijn in de fles. Op een geleende autokaart zoek ik met mijn loep inmiddels de vaarwegen in Twente. Ik besluit die vanaf Meppel te volgen naar het oosten en zuiden. Tevreden en goed uitgerust staat me een zaterdag te wachten.

 

Zaterdag 23.07.2005

Al heel vroeg ben ik wakker. Meerkoeten grazen het gras af. De kat van de baas zit aan mijn kaas te vreten, het loeder. Ik jaag hem weg en kijk in een nog steeds troosteloze donkergrijze bewolkte lucht. Het is koud. Ontbijten en inpakken. Zin om weer eens flink te varen. De door vogels vanuit de beschutting onder gepoepte buitentent maak ik schoon. Om 8 uur word ik uitgezwaaid door 2 vroege vrouwen die net naar het toilet moesten.

Over het Friso kanaal gaat het soepel richting Joure. Daar loop ik vast in de stad. “Er moet worden over gedragen naar de Schipsleat!” zegt een rasechte Jourenaar.

De kar eronder de sjouwen dus. Bij de molen 400 mtr. verderop tref ik een oude heer die niet gelooft, dat ik deze sloot kan uitvaren. Er liggen namelijk dammen in. Ik denk daar anders over en laat me niet weerhouden. De eerst getroffen Jourenaar komt weer langsfietsen met een krantje onder zijn arm: “Als ik nog 2 keer overdraag kom ik in een breder stuk sloot waar een monumentje in staat. Daar woont hij. Blijmoedig nodigt hij me uit voor een bak koffie. Ik drink geen koffie, maar ik maak een uitzondering vanwege goedmoedig contact. Dat is nooit weg. Koos van Dijk woont in een modern nieuwbouwhuis. Alles puik in orde. Foto’s van een knappe vrouw en 2 bloedjes van dochters prijken op de kast. Als ik daar op wijs brandt het verdriet in Koos los. Hij blijkt net 4 maanden gescheiden. Het verhaal volgt. Ik luister en beaam want zelf ook zoiets medegemaakt. De koffie en de koek smaken goed. En ik ben hier niet voor niets. Zoveel is duidelijk. Ook hier weer het noodzakelijk verlies. Ik troost en begrijp.

Hij loopt met me mee naar de laatste overdracht. Ik stap in. Zwaaien tot ik uit het gezicht verdwenen ben. Smalle sloot die Schipsleat. Gaat kilometers verder over in de Neije Sleat of vaart. Aan het eind staat een gemaal. Ik draag over en vaar wat later langs Heerenveen. Kale boel zo buitenom de stad. Op het kanaal weerkaatsen de scheepsgolven tegen de damwanden. Onrustig varen. Op de Tjonger pauzeer ik even. Een voorbijlopende hond grist snel een lekker knoflookworstje onder mijn dekelastieken uit. Ik heb het nakijken. Slimme hond. Via de Jonkers of Helonavaart bereik ik de Drieweg (Linthorst-Homan) Sluis. Hier bivakkeren veel bootjesmensen. Het wordt al laat. Minstens 10 uur gevaren. Ik ga op zoek naar een kampeerplek. Die vind ik aan de rand van het bos. Ik schop wat hout aan de kant en verstoor daarmee een wespennest. In een mum van tijd zoemen honderden agressieve wespen om me heen. Ze willen wraak. Veiligheidshalve maak ik me razendsnel uit de voeten door het wilde struweel.

Wat later kies ik een andere bemoste plek onder doorhangende beukentakken. Vrijwel ondoordringbaar bos achter me, spiegelend water vóór me. Met wat beschikbare groente, pesto, rijst, peper en zout kook ik een prima maaltijd en begeef me dan onder de bootjesmensen in het sluispaviljoen om een pilsje te pakken. Tientallen mensen zitten daar stevig te schransen. Ik praat wat met een typische platbodemman met woeste haardos over het weer en hij meent dat het morgen, zondag, beter weer zal worden. Ik biedt hem een baan aan bij het KNMI, maar hij vaart liever.

Er zit een mug in mijn tent. Loom zoemt hij wat rond. Waarschijnlijk omdat ik flink naar knoflook stink blijft hij op ongevaarlijke afstand. Samen slapen we de nacht door, ik tevreden, hij niet.

 

Zondag, 24.07.2005

Om half zeven wakker. Een kakofonie van geluiden: vogels piepen, fluiten, zingen, hanen kraaien en daar bovenuit maken honderden ganzen al of niet vliegend een hels kabaal. Alle dieren zijn kennelijk blij dat de zon weer eens schijnt. Ik zit in de schaduw van het woud en wil dus maken dat ik weg kom. Eerst overdragen om schutten te vermijden en voort gaat het weer in blote bast en een aangename temperatuur. De Linde naar Ossenzijl. Het kanaal naar Steenwijk. Rechtsaf het kanaal Beulakerweide naar Giethoorn, het Bovenweide over, stil plat en fraai. Hier en daar een fluisterboot met landrotten. De Middenbuurt, Molengracht. Schutten bij Baarlo. Ik heb er weer flink de sokken in. Bakboord uit naar het Meppelerdiep. Stuurboord de saaie Hogeveensevaart in. Nergens uit- of in kunnen stappen wegens hoge damwanden.

Bij de eerste sluis schiet een plezierjachtschipper te hulp. Dat maakt uitstappen mogelijk op zijn zwemplateau en samen sjorren we de kayak op het droge. Hij hijgend van inspanning die hij duidelijk niet gewend is. Een gezellig stel mensen zit daar gezamenlijk te genieten van de eindelijk stralende zon, beducht op langzaam maar zeker binnen drijvende wolkenvelden. Ik krijg koffie met spritskoek en een waterkaartje dat reikt tot en met Coevorden. Praten, lachen en de verhalen gaan rond. Ik mag ook blijven eten. Misschien stom, maar ik sla dat af en besluit nog 1 sluis te doen (6 km) Een hartelijk afscheid. De laatste etappe van vandaag raas ik snel af. Het is inmiddels weer flink gaan regenen. Langs het kanaal sla ik mijn bivak op en breng de avond etend, drinkend en schrijvend door. Natuurlijk weer vroeg in het dons. Rust, herstellen van een pittige dagtocht van ca. 10 uur varen.

 

Maandag 25.07.2005

Onwaarschijnlijk vroeg ben ik wakker. 5.30 u. Als mijn ogen open gaan zie ik allemaal grote vlekken op de binnentent. De hele tent zit onder de naaktslakken. Maaltijd eten, slakken wegpinken en inrukken. Een 36 km lang en saai stuk kanaal voor de boeg. Hier hebben de vaarwegontwerpers en uitvoerders kans gezien met akelige precisie een werkelijk hoogstandje van verbluffende fantasieloosheid te scheppen: 50 mtr. damwand, 10 mtr. steenstort. En dat 50 km lang tot Hoogeveen. Onafzichtelijk en ongemeen eentonig. Dit wordt langdurig mediteren of ik wil of niet. De enige afwisseling zit hem in nauwelijks waarneembaar flauwe bochten en 3 sluizen. Ik ben te vroeg om te schutten dus draag ik om. Boot op het unieke Edwinkarretje en rijden maar.

Voorbij Hoogeveen begint de authentieke Verlengde Hoogeveense Vaart tot Nieuw Amsterdam. Een verademing. Hier is tenminste iets te zien. Bij Noordseschut haal ik vers water bij de sluiswachter en doe wat boodschappen bij de plaatselijke super. Met mij mee varen een aantal motorboten. Als zij moeten wachten voor een brug vaar ik gewoon door. Zo passeren ze mij wel 7 of 8 keer. Ik leer de mensen kennen en zij mij. Ze hebben waardering voor mijn snelheid en volharding. Voorbij Nieuw Amsterdam schuif ik het Stieltjeskanaal op. Ook hier heeft de brede modernisering monotoon toegeslagen. Het heel vroeger zo gezellige kanaal is tot een kale botensnelweg verworden. Golven van passerende boten blijven heel lang weerkaatsen, dus is snelheid houden moeilijk en vanuit mijn lage gezichtspunt is er geen bal te zien. Mediteren maar weer en worteltjes eten. Bij de laatste sluis draag ik snel over en ben ik van de schepen af. Ongestoord raas ik door naar De Haandrik.

De sluis staat open dus kachel ik verder op kanaal Almelo-De Haandrik. Bij Coevorden wil ik stoppen maar vind geen geschikte plek. Pas bij Gramsbergen wordt me vanaf de wal gevraagd of ik een kampeerplaats zoek. Op een fraai gemaaid veldje naast een kleine passantenjachthaven kom ik bij van de monstertocht van 11.5 uur. Een fraaie dag met soms keiharde buien en dan weer een flauw zonnetje. Morgen door naar Almelo.

 

Dinsdag 26.07.2005.

Uitgeslapen tot 10 uur. Gramsbergen in voor wat boodschappen bij plaatselijke zelfstandige neringdoenden. Om half twaalf wordt ik hartelijk uitgezwaaid door de havenmeester en een vrolijke Duitse familie met wanstaltig dikke buiken. Met een verse lading bospeen onder de dekelastieken vaar ik ver opkantend in een boog de haven uit. Rustig warm peddelen. Golven van de eerste boten blijven weer lang hangen. De eerste vissers. De hengels steken tot over de helft van het kanaal. Dus zigzag varen. Ik moet nodig eens een visser vragen waarom die stokken zo lang moeten zijn. Het einde van kanaal de Haandrik, waar de bruggen zo laag zijn dat ik er nauwelijks onderdoor kan. De sluis bij Almelo draag ik om en sla dan rechtsaf het Twentekanaal in. Direct weer een heel ander karakter. Forse rietkragen versluieren de damwanden.

Weer nergens een plek om er even uit te kunnen. De eerste keer dat het kan op de kruising met het kanaal naar Enschede heb ik echter geen zin om te stoppen. Voort gaat het weer langs de fraai beboste oevers. Hier en daar wordt aan de wallekant van het kanaal gewerkt. Er is hier ook meer grote scheepvaart. Als ik genoeg heb van het varen en de eerste open plek in zicht kom stop ik resoluut, trek de boot de wal op en zo sta ik oog in oog met een fanatieke sportvisser. Ik vraag hem of ie er bezwaar tegen heeft dat ik mijn tent naast de zijne opzet. Dat heeft hij niet. Op een wat schuin vlak stel ik mijn tijdelijk onderkomen op. De visser, tatoes, oorringen en sportschoolbody, bovenarmen met een diameter van 20 cm. motorfreak, biedt mij een ‘redbull’ aan als hij hoort, dat ik helemaal uit Gramsbergen kom. We raken aan de praat. Hij heeft nog niet gegeten. Ik kook voor hem. Zijn moeder komt koffie brengen en broodjes voor de volgende ochtend. Er wordt dus goed voor hem gezorgd.

Wat later komt een vriend opdraven met een digitaal fototoestel om eventuele vangst vast te leggen voor het vislogboek. Hij is kok en keurt de maaltijd goed. We praten een stuk uit de nacht, drinken bier uit de koelbox. De hengels op elektronisch scherp. Aan de overkant moeten ze zitten, de karpers, weet de nog jeugdige visser. Hij vangt echter niks. Om 2 uur ‘s nachts val ik om.

 

Woensdag 27.07.2005.

In de vroege ochtend hoor ik ineens een scherp piepen. Alex rent zijn tent uit en is 20 minuten bezig de lijn binnen te halen. Een kanjer van 24.5 pond slaat hij eruit. Vakwerk hoe hij met de vis omgaat. Om 8.30 u. is de slaap uit en tref ik maatregelen om naar Zutphen/Eefde door te blazen. Weer zo’n 35 km. Een hartelijk afscheid. Ik wens Alex nog een goede vangst. Hij geeft mij een banaan en een mandarijn mee. Lachend wordt ik uitgezwaaid door een toffe gozer. Ruwe bolster blanke pit.

Ik kom niet goed in het ritme. Lang aanhoudende golven van binnenschepen en pleziervaart. Ook de spieren doen onverwacht slecht mee. Zeker teveel bier gedronken. Een forse ruk nog naar de sluis bij Eefde/Yssel. Wel mee schutten gelukkig. Dan lacht de rivier me toe. De afwisseling, de stroom, de scholeksters, de aalscholvers op de kribbakens, de neerstroom tussen de kribben, THUIS! Ik ben en blijf een rivierenjongen, dat blijkt maar weer.

Bij Zutphen ineens een kwaaie visser die vanaf de hoge kade vist. Hij schreeuwt me in zeer grove taal toe dat ik naar de andere oever moet. Ik moet niks. Zie de lijnen schuin uitstaan ver in de rivier, vaar er gepast onderdoor. Dan krijgt de visser bijval van een maat: “Gooi die klootzak een bakkei op z’n kano!” en met twee straatklinkers komt hij toegelopen. Zo schelden en schreeuwen ze nog even door maar tot gooien komt het niet. Op veilige afstand roep ik wel sympathiekere vissers te kennen. Heethoofdige, nodeloze stampei van zich onbeschoft gedragend volk. Ik laat alle impulsen op gelijk niveau binnenkomen en blijf dus opmerkelijk rustig. In de haven trek ik de boot op de steiger, ga brood en kaas kopen en heb daarna zin om nog wat door te varen. Het gaat op slag lekkerder op de rivier. Kmpaal 912: Olburgen. De kerktoren slaat 8 uur als de tent net is ingericht.

Aan de oever van een ontzandingsplas, uitzicht over het spiegelend water en de uitgang van het zandgat waar af en toe schepen langs varen. This is paradise man! Misschien gaat het wel regenen, maar voorlopig is het lekker warm, bewolkt en stil op fluitende vogels en sjirpende krekels na. Ik ga koken. Een enkele wandelaar komt langs en verbaast zich over mijn typische kayakplek met kampeerspullen. Een stel op leeftijd komt langs, trekt de kleren uit en gaat lekker ongegêneerd bloot zwemmen. “Heerlijk!” roept de vrolijke Olburgse hem blijmoedig toe. “Ja!” roept hij wat fantasieloos terug. Aan de overkant ligt Dieren. Onhoorbaar rijden in de verte Dinky Toys voorbij. Druppels beginnen te vallen. Het stel droogt zich af, kleed zich aan en steekt de paraplu op in het vrolijk groetend voorbijlopen. De nacht daalt als een ruisende stilte over mijn semi-permanente kampement.

 

Donderdag 28.07.2005.

De dag begint zó warm dat in de blote bast kan worden gevaren. Dat levert zonnebrand op en een merkwaardig wit/rood/bruin patroon op ’t vege lijf. Zo herken ik wielrenners aan bruine onderbenen en witte bovenbenen, kayakkers aan een bruine tors en een wit onderlijf. Boodschappen haal ik in Dieren (ver lopen). Dan begint de klim de Yssel op. Het kost veel kracht om de kort op elkaar liggende kribben te ronden. De boot wordt steeds ver in de krib gezogen. Ver opkanten en aan één kant peddelen is nodig om hem er weer op tijd uit te sturen. Bepakte kayaks zijn nu eenmaal minder wendbaar. Flink ploeteren dus. Maar dan is hij er toch: de Ysselkop, herkenbaar aan het basalttorentje. Nu de keuze maken: Via de Rijn naar huis of nog het Pannerdens kanaal doen. Ach, ik ben een rivierenjongen. Dat Pannerdens kanaal pak ik er gewoon bij. Onderweg even bloot zwemmen, zonnen en wat eten. Of het niks is glijd ik naar de Waalkop. Toch zo’n slordige 10 km. verderop.

Ineens weer geweldig woelig water, heftige stroom en gigantisch veel grote scheepvaart. Grappig toch, dat elke water zo’n volstrekt eigen karakter kent. Ik land voor Nijmegen aan een fraai strand met bosjes. Uitstekende kampeerplek. Passerende blote mannen met tasjes zien niets in mij, hoewel ik nonchalant maar vriendelijk groet. Plots komt een mooie vrouw met 2 honden langs. Nieuwsgierig blijft ze staan en er ontspint zich een heel gesprek. Al snel weten we van elkaar’s leven en we begrijpen. We hebben goed contact zonder er verder iets mee te hoeven of te moeten. Ze blijft eten en een biertje drinken. De honden liggen hijgend onder de struiken. Ondertussen dreunen de schepen voorbij. Zo droom ik de nacht door met een blonde engel van goud, met klaterend water en het donkere dreunen van scheepsmotoren. Af en toe onweert het met horizontale lichtflitsen en lang rommelende donder.

 

Vrijdag 29.07.2005.

De ochtend breng ik aan het strand door. Natuurlijk hoop ik stilletjes op de terugkomst van de hondenvrouw, maar af en toe komt slechts een zonderling langs lopen. Er staat een aangenaam windje, de lucht is licht bewolkt. Een tweepersoons polyethyleenboot komt langs. Twee Duitse jongens komen van Bazel af gekanood. We varen samen een tijdje op tot ik weer terugzak naar mijn eigen tempo. Zij willen Rotterdam halen, ik heb geen haast. Vandaag naar Ochten drijven in golvend onberekenbaar water. Ik geniet. Ochten is een kerkdorp waar men reusachtig opkijkt van een kayakker met ontbloot bovenlijf, gehavende hoed en een kayak op wielen. De overdracht naar de Linge is zo’n 2 kilometer. De boot plonst het stille water in. Kroos prijkt op het voordek. De regenbuien zijn terug. Ik heb stevige wind in de rug. Melancholisch kijk ik terug op 16 dagen solovaren en wat het me gebracht heeft. Ongemerkt maak ik de balans op. Ik voel, dat er een afscheid nadert. Er komt ook iets nieuws op me af. Maar met mijn hersens weet ik niet wat. Maar och, het leven dient geleefd. Laat maar komen. Leren is deel van de essentie. Een stuw. Nog een. De derde kan ik opvaren. Een vuilvangbalk. Een gemaal. Een zware overdracht. De Nederrijn. Het is gedaan. De groene gebouwtjes. De hoge vlaggenmast. Mijn thuishaven. Een simpele groet van de havenmeester. Voor de laatste keer pak ik uit. Vul mijn fietskar weer. Spoel mijn boot uit. Ga op huis aan. Ik ben geheel terug bij mijn gevoel. Er dienen zich besluiten aan. Life goes on. Vooruit dan maar. Bij voorkeur wel!

 

Toon Hoefsloot.