Vada Varia, nr. 4 2007

 

 

Met de fifty fitters naar Oosterbeek

 

Om 9.00 zijn 13 fitte vijftigplussers aanwezig bij de roeiloods. We maken vier wherry’s gereed voor de tocht: pikhaak, peddel, hoosblik, touw, stootkussen, haring, kussen, plastic zak om bij regen kussens in op te bergen, vlag en een reservebankje. Aan alles is gedacht. De indeling van de bemanning per boot is door onze Akela gebaseerd op evenredige verdeling van roei- en stuurcapaciteit. We roeien het havenkanaal uit en gaan de Rijn op bij kilometerraaipaal 903.


Trieneke Stam


 

Tot Lexkesveer varen we langs de vertrouwde plaatsen. Bij de moderne steenfabriek ligt een schip dat de grondstof aanvoert voor het bakken van stenen en verderop ligt aan de andere oever een oude steenfabriek, “De Bovenste Polder” die is omgebouwd tot ateliers voor kunstenaars. Op vele plaatsen aan de Rijn liggen verlaten en nieuwe steenfabrieken. Resten van oude kleiputten zie je nog in de uiterwaarden bij Lexkesveer. De boerderij ‘De Wolfswaard’ is al jarenlang een gewild woonoord voor studenten. We varen voorbij de uitmonding van het Lingekanaal en langs de afgekalfde oeverwand met zwaluwholen. Bij Lexkesveer is het voor de stuurlieden opletten geblazen om veilig langs de pont te varen. Voorbij Lexkesveer zien we de Wageningse bergrand met het hotel restaurant met terras dat een mooi uitzicht biedt op de rivier en de Betuwe. Onopvallend mondt de Renkumse beek via een strang uit in de Rijn. In deze uiterwaarden ‘moeten’ in de toekomst de herten (misschien ook de wilde zwijnen) vanaf de Veluwe komen grazen.

 

Het veld van boten verspreidt zich langzamerhand. De krachten verschillen. Is er verschil in snelheid tussen houten en polyester boten of heeft de vorm van de bladen invloed? We varen langs een boerderij waar varkens tot in de Rijn scharrelen en waar op de terugweg ‘s middags tegen vieren de koeien op de zomerdijk in een rij staan om gemolken te worden. Aan stuurboordwal varen we langs het gat van Heteren met op de achtergrond de oude toren. Dan varen we onder de brug door waar het verkeer op de A 50 voorbij raast. Even dreigt er een bui, aan de lucht vertoont zich een donkergrijze wolk met nog hier en daar een stukje blauw aan de hemel. Het valt mee, de wind is ons gunstig gezind.

 

Er is weinig beroepsvaart en we varen richting de sluis aan bakboordzijde, de rode boeien wijzen ons de weg. In de Doorwerthse waarden zien we de karakteristieke torens van het kasteel. Van verre rijst de grote stuw bij Driel op. We hebben geluk, de sluis is open, de sluiswachter is aanwezig en we kunnen meteen naar binnen roeien. De enorme sluisdeuren sluiten zich achter ons. Zonder andere vaartuigen bevinden we ons in de sluis. Het water stijgt 1,65 meter voordat de deuren aan de andere zijde open gaan. We bevinden ons ter hoogte van Heveadorp, bekend van de rubberfabriek van weleer.

 

  

 

Met krachtige halen gaan we richting Oosterbeek langs de Westerbouwing richting camping ‘De Rijnoever’ in de Rosandepolder, nabij kilometerraaipaal 888. Hier ergens staken in het nauw gedreven Britse paratroopers in september 1944 de Rijn over naar de Betuwe. Kort voordat we de wherry’s op het strand bij de camping kunnen trekken krijgen we een fikse plensbui. Regenpakken in fleurige kleuren worden snel voor de dag gehaald. Een stuurvrouw steekt zelfs een paraplu op. In de kantine van de camping brengt één van de roeisters prachtige pianomuziek ten gehore. We verorberen de door onze onvolprezen cateraar verzorgde lunch bestaande uit onder meer gebraden kippenpootjes, komkommer, krentenbrood en brood met overheerlijk beleg. De kantinebaas schenkt thee, koffie en chocolademelk. De sanitaire voorzieningen zijn ongekend comfortabel voor een toertocht.

 

Vol energie aanvaarden we de terugtocht. De passage door de sluis duurt langer dan op de heenweg. We moeten wachten. Met behulp van pikhaken en touwen meren we af aan de hoge houten beschoeiing voor de sluis en koesteren ons in de najaarszon. Tegelijk met een tankerschip worden we geschut. Bij het verlaten van de sluis raken de kleppetten van twee stuurlieden door een windvlaag te water. Een alerte stuurman uit de laatste boot weet ze handig op te vissen.

 

Er is inmiddels een straffe noordwesten wind opgestoken en er moet stevig op de voetenplanken worden getrapt. Er is even discussie over de vraag hoe je met een boottype als de wherry het best de golven kunt trotseren, dwars er doorheen of evenwijdig aan de golven. Voor het wisselen zoeken we een beschutte plek. Door regelmatig te wisselen winnen we gaandeweg aan kracht en bereiken wederom de brug. Mooi is het ook om onderweg de watervogels waar te nemen. De kieviten hebben zich verzameld voor de najaarstrek.

 

We varen langs de Noordberg, de uitmonding van de Heelsumse beek nabij de vervallen steenfabriek, de veerstoep van het voormalige Renkumse veer en de papierfabriek Norske Skog. Dan wordt de aandacht van enkele stuurlieden getrokken door mysterieus opborrelend water; dit moet de uitlaatpijp zijn van de waterzuiveringsinstallatie. Vervolgens komen we langs het huis aan de Rijn met de beelden in de tuin en komt Lexkesveer weer in zicht. Het sturen is lastiger geworden door het tegenlicht van de laag staande zon. Ter hoogte van het veer doemen bovendien een aantal aken op en bij “De Bovenste Polder” wordt ons heerlijk rustig roeien even verstoord door een korte, heftige regenbui en door de lange lijnen van hengelende sportvissers in een rubber bootje. We varen onder de hoogspanningskabels door en zien het ons zo vertrouwde botenhuis van Vada op het havenhoofd liggen. Het is inmiddels tegen half zes. We halen de wherry’s met vereende krachten uit het water, hozen uit één boot een fikse hoeveelheid water en poetsen ze van binnen en van buiten schoon voor de winterberging. Het was een leuke dag. Vermoeid doch tevreden keren we huiswaarts.

 

Trieneke Stam