|
|
Vada Varia, nr. 4 2007
|
|
|
Varen
en Dromen De sluitingsdatum
voor Vada Varia is al geweest, dus wordt het weer eens tijd om een verhaaltje
in te sturen. Een kanoverhaaltje. Altijd goed voor de sfeer en het
enthousiasme onder de mensen. Dit verhaaltje mag dan ook gelezen worden door zeilers,
roeiers, haven- én kanoleden. Het aardige is, dat dit
samenraapsel weer eens geheel ontsproten is aan mijn dromen en mijn blijkbaar
immer inventieve geest. Dat komt denk ik, omdat mijn
kop weer los is, de blik naar buiten is gericht en soms ook mijn ogels turen in het herfstige landschap waarin ik zo graag
vertoef, of in een aardig boek. Dat boek mocht ik lezen van één
van mijn vrienden kanoërs. Het ging over 2 Engelen uit Groot Brittanië die in Siberië de Amoer
hebben bevaren van bron naar zee. (4400 km). Sinds ik dat boek gelezen heb,
zijn de dromen niet meer van de lucht en evenmin te stuiten. Toon Hoefsloot
Ik vaar
geheel onverwacht plots door oerwouden en mangroven, slikken, moerassen,
sloten en beken alsmede door wilde stromen. Landen
rijg ik aan elkaar door met het grootste gemak in een oogwenk meren, zeetjes
en oceaantjes over te steken. Golven zo hoog, dat
ik er met geen mogelijkheid overheen kan kijken. Diepe dalen en brekende
schuimmassa’s doen me ademsnakkend wakker worden, waarna blijkt dat ik mijn
ademtocht in het dons heb gesmoord. Onveranderlijk stroomt het water zo hard,
dat ik nauwelijks hoef te peddelen om toch fabelachtige afstanden af te
leggen. Vissen zo groot als dolfijnen springen als torpedo’s over mijn
voordek. Peilloze stroomversnellingen rukken mijn boot van links naar rechts
alsof ik in een ‘cakewalk’ op de kermis wordt dolgedraaid. Het schuim sniert
onveranderlijk onder mijn oksels door en het kraken van het
polyester - als ik weer eens op wat scherpe rotsblokken gekwakt wordt- doet me
zeer tot in mijn botten zonder echter blijvend letsel te veroorzaken. 13
Rollen ‘duktape’ heb ik al gebruikt om alle gaten
in de romp te stoppen. Voortdurend blijft mij daarbij het ijzersterke gezegde
bij “dat een boot niet mooi hoeft te zijn, als ie maar
sterk is” en dát is hij. Wonder
boven wonder blijken mijn voortdurend natte kleren andermaal droog zodra ik
ze na een verkwikkende nachtrust weer aantrek (het is een illusie, dat je
het als kanoëer droog kunt houden. Dat weten jullie
inmiddels!). Bulten en
jeuk van duizenden horzel- en muskietensteken verdwijnen als sneeuw voor de
zon omdat zij na elke rivierbocht plaats maken voor nieuwe horizonten met
overdonderende wolkenpracht. Plotseling
uit de mist opdoemende rivieraken afgeladen met boosaardig joelende mensen
met bolle, geelrossige gezichten van de drank dan wel behorend bij het ras
dat ze vertegenwoordigen (ik weet niet wat erger is) geef ik een glimlach en
een handgroet terug om even later genadeloos omgesmakt te worden in
buitenproportioneel hoge boeggolven. Regelmatig snap ik er niets van dat ik
gewoon maar dóór blijf leven, zelfs als er ineens een boom omvalt die ik
eerst op mijn rafelige zonnehoedje krijg, vervolgens doorstuitert op mijn
achterdek, waardoor de kayak onvermijdelijk een
achterwaartse ‘loop’ maakt, uitmondend in een acrobatisch aandoende ongewilde
salto achterover. Die vernietigt mijn oriëntatievermogen in een oogwenk,
waardoor ik na geslaagd eskimoteren
(ik wist niet dat ik het in me had) urenlang ineens tegen de stroom opvaar zonder
me daar rekenschap van te geven, omdat de plotseling ondoordringbare mist
beide oevers geheel aan het zicht onttrekt. Het kan
moeilijk anders dan dat ik, al kamperend, vannacht ineens oog in oog sta met
manshoge beren die mijn tent met voeten treden. Ik zal me dan genoodzaakt
zien deze wollige heren een links/rechtse combinatie van correctieslagen met
mijn altijd onder handbereik zijnde peddel uit te reiken, waardoor deze
opdringerige dieren onverwijld -nog steeds hongerig-
op de vlucht zullen slaan, bang als ze zijn voor onverschrokken avonturiers
als ik. Ik vaar
langs uitkijktorens vol militairen, die uitsluitend voor de lol maar wat heen en te weer schieten met halfautomatische
machinegeweren. Door vuurrode lichtkogels in het beste geval en scherp in het
slechtste af te vuren, trekken zij sporen van kraters in het water en zetten
de plotseling opkomende schemering (hé, is het al zó laat?) in lichterlaaie. Wonderlijk genoeg en gelukkig ook, ketsen
de kogels als hagelstenen af op het harde polyester dek om hun weg in een
geheel andere hoek te vervolgen. Een enkele steppengans
wordt er pijnlijk door getroffen, zodat ik weer weet, wat ik die avond kan
eten. Zo gaat dat nog wel even door, want als er ruimte komt in
mijn hoofd zijn de dromen weer nabij en weet ik weer waarvoor ik leef. En, hoe
is ’t intussen met jullie? Toon
Hoefsloot. |