Vada Varia, nr. 4, november 2008

 

 

Normen en waarden in de haven, deel 2

 

Column

 


door G B Rom


 

“Hij zat weer te tobben over normen en waarden in de haven. Zijn die anders dan elders? Anders dan thuis, in de tuin, in het verkeer of in de Hoogstraat …?” Zo wilde ik de vorige aflevering beginnen. Maar toen dwaalde ik wat af en heb dit wat oubollige begin vervangen door een wat meer trendy start. Maar nu, aan het eind van het jaar, met oudjaar en oliebollen (u wist natuurlijk al dat daar het woord “oubollig” vandaan komt hè?) in het verschiet, is het wél een passend begin.

 

Vooral op de steigers en boten zijn de normen anders dan op de vaste wal.  Wat daar kan kan hier niet. Vice versa. Om verschillende redenen. In de eerste plaats is de Hoog­straat ’n soort werkplek en de steigers recreatieplek. Als een jongen en meisje op een mooie zomerdag door de Hoogstraat zouden lopen in zwembroek en/of bikini of nog minder wordt dat als ongepast of in ieder geval ongebruikelijk gezien. Hoe fraai het ook is. Maar als dat mooie meisje of jongen zo schaars gekleed over de steigers paradeert vinden we het gewoon en genieten wellicht van deze overduidelijke blijk van het succes van de evolutie, schepping, reïncarnatie of wat u ook moge geloven. Dat moet je ook voor ogen houden als je, de andere kant opkijkend, een deinende vlees- en vetmassa zou zien die, gedrapeerd om een wat te kleine bootstoel, in zijn vorm en afmetingen lijkt te illustreren dat de strijd om het voortbestaan bij de menselijke soort tot wel zeer grote ongelijkheden heeft geleid. Stel je voor dat een dergelijk voorbeeld van de homo sapiëns zo om zijn stoel heen gevleid in de Hoog­straat zou zitten! Toch is het zowel in de Hoogstraat als op de steigers ongepast om een dergelijke blikvullende bezienswaardigheid te evalueren met een voor iedereen hoorbaar: “Kèik, die hep ze zwembonde altèit bèi sig.” Of, wat krijtstreperiger: “Ook al slaat de kredietcrisis en de recessie in de reële economie bij die meneer toe, hij heeft altijd enige noodrantsoenen bij zich.” Nee …, zoiets zég je niet. Al is de eerste indruk die je van iemand hebt nóg zo verpletterend.

 

Dát de normen op de Hoogstraat soms anders zijn dan op de steigers zal te maken hebben met de breedte van de weg. Je hebt er tóch een meter of zes loopruimte. Dit ondanks alle kledingrekken, uitgestalde artikelen, reclamezuiltjes en weet ik wat voor rotzooi die middenstanders daar neer zetten om kennelijk niet interessante doelgroepen als bejaarden, blinden, minder validen in rolstoelen en achter rollators (ze zouden als meervoud het veel stoerder klinkende “rollatoren” moeten invoeren. Vind je niet? Dat ontdoet het ding van zijn tuttige imago. Zal binnenkort een of ander marketingfiguur ook wel uitvinden.), weg te pesten om slechts koopgrage klanten met doelgroepsmaak en –uitgavenpatroon voor de deur te krijgen. Het normbesef bepaalt mede wie op een drukke dag het snelst door die zes meter Hoogstraat kan. Zo wil een autoritaire, zelfverzekerde of arrogante blik en/of uitvoerig zwaaien met een smeltend ijsje of een zak mayonaise met patat personen die op tegengestelde koers liggen nog wel eens doen uitwijken. Oplopen kan je het best doen met elleboogwerk en duwen. Op de hakken trappen wil ook nog wel eens ruimte scheppen. Heel hard bekakt praten werkt soms ook. Kijk dan wel uit dat je dat niet doet met die zak patat in je hand; dan is het effect weg.

Op de steigers geen reclamezuiltjes, kledingrekken etc. Logisch; het is geen koopgoot. In de Hoogstraat loop je om te kijken wat je kopen kunt. Over de steigers lopend zie je juist wat anderen al gekocht hébben. En dat valt niet altijd mee. Maar ook hier bepaalt het normbesef wie het hardst kan. Het is er smaller en voorrangsconflicten worden in laatste instantie beslecht met een plons en “Brrrr”. Het verkeersaanbod is op de steigers ook anders; je vindt er zelden fietsen, rolstoelen en rollators. Wel de bagagekarren waarmee de rechtgeaarde waterrecreant zijn boot omtovert in een drijvende provisie- of drankkast. En net als in de Hoogstraat wordt bij het langzame verkeer hier maar zelden het obscene gebaar met de middelvinger gemaakt. Dat schijnt een exclusieve gedragscode van automobilisten te zijn. Bovendien verschilt de manier van voortbewegen op de steigers. Zo is het op de steigers van afdeling haven gebruikelijk om zich in de lengterichting voort te bewegen terwijl roeiers, zeker als zij een boot dragen ook in de breedterichting van de steiger lopen en kanoërs steigers lijken te negeren.

 

Maar goed; al zijn de steigers smaller, er zijn ook veel overeenkomsten met de vaste wal. Ik zou die willen uitbreiden en de gedragsnormen op de steigers willen oprekken. Waar ik dan aan denk? Nou, aan dat stukje nationale folklore bij volksfeesten zoals voetbalkampioenschappen. Het is weer even weggezakt. Maar toen “Oranje“ de beat in veler harten opjoeg, vonden in rijk met oranje versierde volkswijken de dingen plaats waar wij, met Rita voorop, trots op moeten zijn; blije gevoelens over het Nederlanderschap, trots op “onze jongens”, gevierd met ’n gepast drankje of ongepast continuzuipen, met barbecues, emmers pindasaus, chips schransen en gelal. Op straat of in de voortuintjes. Dát moet op de steigers ook kunnen. Wij willen geen achterkamertjesfeesten. De steigers zijn de voortuintjes van ons vakantieverblijf. Daar moeten we trots kunnen zijn. Op VADA en op onze jongens. Stel je voor; over anderhalf jaar weer ’n WK. Dat we dan feesten op de steigers. Met alles wat daar bij hoort. Volgens bestaande normen. Eerst indrinken dus. Bij Lia. En dan de haven in, de steigers op. VADA’s havenkom als een Breughelliaans lustoord met zang, drank, dans en schrans. Een orgie met klotsend bier, braadworsten boven de stootwillen en een polonaise tussen de landvasten.

 

En als de nacht dan bijna voorbij is, als de laatste slok het gelal heeft gesmoord, als de maan het kabbelende water doet glinsteren en scheepshuiden resoneren met het slaapgrommen en snurken van de kipverterende en katerverwerkende lijven van onze leden, zullen de steigers wellicht een zacht kraken toevoegen aan de laatnachtelijke stilte en vroege vogelgeluiden; de ruisende tonen van de troostende liefde, op die plaats nu eens niet bedreven door eenden maar door VADA-leden die het voetbalverlies – hun gekrenkte trots op Nederland – op deze wijze met elkaar delen en verwerken. Óp de steigers. Normverleggend of –overschrijdend? Romantischer toch dan thuis, in je tuin in Wageningen-Hoog, ergens tussen die aftandse rododendrons?

 

Verliezen… Och… de naamgeving van hoogtepunten van onze nationale trots of krenking: bitterballen, oranjebitter… Er niet bij horen went; er nét niet bij horen went nooit. Steeds weer een bittere les!

 

G.B. Rom

gbrom@kpnplanet.nl