|
|
Vada Varia, nr. 4, november 2008 |
|
|
Weiβe Flotte
door Han den Ouden
Voordat
we vorig jaar op vakantie gingen in Oostduitsland
(of eigenlijk oostelijk Duitsland) hadden we nooit van de Weiβe Flotte
gehoord. Na een bezoek aan Dresden werd dat anders. Een vriend,
bouwhistoricus van professie, had ons dat
aangeraden. In eerst instantie vanwege de wijze waarop Dresden op dit moment
(nog steeds!) bezig is de enorme schade, die het in de Tweede Wereldoorlog
opliep, te herstellen. In zware
bombardementen, met als culminatie dat van 14 februari 1945, was het complete
hart van de stad weggerukt. Dat hart bestond uit voornamelijk barokke
architectuur. Veel (voorname) woonhuizen, maar ook het slot van Dresden, met
de slotkerk, het “speelpaleis” de Zwinger, de Stallhof (koetshuis en stallen, behorend bij het slot).
Dat alles lag (en ligt weer) in een schitterend panorama langs de Elbe. Het einde
van de tweede wereldoorlog was hier echter het begin van een volgende strijd.
De communistische partijdictatuur naar Russisch voorbeeld zag de
doelstellingen van het herstel van Dresden nogal “revolutionair”. Men had
geen herstel van de barokke stad voor ogen, maar een nieuwbouw, die de
historische overwinning van de arbeidersklasse over het kapitalisme moest
symboliseren. In een door de Sächsische Zeitung uitgegeven boek over het herstel van de oude
binnenstad heet het hard: “Und so
begann die zweite Zerstörung Dresdens, die alles auslöschte was der Feuersturm im Februar 1945 übrig gelassen hatte” (Zo begon
de tweede vernietiging van Dresden, die alles vernielde wat de vuurstorm in
1945 overgelaten had). Voor een
deel is dat vóór 1989 ook gebeurt, maar dan in een gebied dat grenst aan de
oude binnenstad. Daar zie je grauwe flatblokken en door grootheidswaan(zin)
bepaalde architectuur, voor een deel alweer slooprijp. De oude stad, rond de
ruïne van de Frauenkirche, bleef echter relatief
“ongeschonden”. De puinhoop van de Frauenkirche was
in DDR-tijd een monument tegen de verschrikkingen
van de oorlog. Na 1989
ontstonden initiatieven voor het herstel van de Frauenkirche.
Na gedegen archeologisch onderzoek werd de herbouw gestart, gesteund door
bijdragen van over heel de wereld. De prachtige kerk werd in 2006 ingewijd.
Het initiatief voor herstel van de kerk bleek een katalysator voor herbouw en
restauratie van de oude binnenstad rond de Neumarkt.
Inmiddels is een deel daarvan gerealiseerd. Soms een
moeizaam proces, omdat het “original-getreu”
nabouwen van een barok pand een kostbare grap is. Toch is het in veel
gevallen gelukt. Daarnaast zijn ook panden gebouwd, die “historiserend”
genoemd kunnen worden. Zij passen wel zeer goed bij het totaalbeeld.
Uiteraard zal weer een patina moeten ontstaan om het karakter van een oude stad
terug te krijgen. Toch zijn er nog een flink aantal gebouwen, zij het soms
zwaar beschadigd, de oorlog doorgekomen. Vooral
langs de Elbe-oever staan deze weer zorgvuldig
gerestaureerde prachtstukken: het slot met slotkerk, de Zwinger,
het Albertinum. In de 18e eeuw
schilderde de italiaanse
schilder Canaletto het prachtige panorama langs de
Elbe. Het stuk is nu de toetssteen voor de zorgvuldige reconstructie van het
oude Dresden. Dit Elbe-panorama werd zelfs in 2004
tot UNESCO-werelderfgoed verklaard. De Elbe-oever trok ook om andere redenen onze aandacht.
Wandelend in het oude centrum hoorden we bij herhaling het karakteristieke
geluid van een stoomfluit. Toch eens even gaan kijken. Tot onze verbazing
troffen we zowaar een kleine vloot van raderstoomboten
(Seitenraddampfer, dus met raderen aan de zijkant)
aan, die met een kennelijke vanzelfsprekendheid –volgepakt met passagiers- af
en aan varen. Ik heb nu eenmaal een historische tic, dus moeten
we snel meer weten van dit gebeuren. Stoomschepen
verschenen op de Elbe vanaf ongeveer 1836. Dat was vrij laat, want elders voeren deze al decennia eerder in regelmatige
lijndiensten. Dat had onder andere te maken met de geringe diepten. De Elbe
werd pas rond 1850 uitgebaggerd. Daarna groeide het vervoer van passagiers en
goederen met stoomschepen sterk, en wat zo mooi is: ze zijn er nog! Op dit
moment opereert de Sächsische Dampfschiffahrts-GMBH
& Co met negen stuk voor stuk monumentale schepen. Het jongste schip werd
in 1929 gebouwd (de Leipzig), het oudste in 1879
(de Stadt Wehlen).
Vrijwel alle schepen hebben een bewogen historie achter de rug. Vooral de
tweede wereldoorlog was natuurlijk een hectische periode. Brand, bominslagen,
sommige schepen fungeerden als drijvend lazaret, enkele zonken.
Oorspronkelijk voeren er vele tientallen raderstoomboten
op de Elbe. Overigens
werd er nog op een andere manier op de Elbe gevaren. Over grote afstanden lag
er een zware ketting op de bodem van de rivier. Een aangepaste sleepboot kon
de ketting opnemen en trok zich daaraan –met zijn sleeplast- voort. Uiteraard
brak die ketting wel eens en uiteindelijk is die wijze van transport
verlaten. De
overgebleven stoomraderboten hebben het druk. Er
worden zowel stroomop- als stroomafwaarts
lijndiensten gevaren met vele stopplaatsen. Daarnaast staan er “Sonderfahrten” op het programma, zoals de “Brückentour”, die langs de vele bruggen in de omgeving van Dresden gaat.
Vanwege de UNESCO werelderfgoed-status van het Elbedal kun je zeggen dat de historische vloot van raderstoomboten dan ook een heel bijzonder gebied
bedient. Wij vakantiegangers ontkwamen natuurlijk niet aan een trip op een
van deze monumenten. Op een
mooie ochtend scheepten we in op de Diesbar.
Dit schip is in 1884 gebouwd, niet het oudste dus. Maar de machine is veel ouder
en een monument op zich. Ze werd in 1857 in Greenwich gebouwd, maar
onderdelen zijn weer ouder. Op de krukas staat 1853, en personeel wist ons te
vertellen dat er delen van een machine van rond 1840 in zitten. Dat gebeurde
overigens vaker: de raderboot werd gesloopt, maar de machine werd naar een
nieuw schip verplaatst. Na een lange stoot van de stoomfluit (tot in de verre
omgeving te horen) staken we van wal. Dat gaat verbazingwekkend makkelijk, niet in de laatste plaats vanwege een
boegschroef! Ach, een weinig historische handige kleinigheid, die echter wel
nuttig is in het soms zeer snel stromende Elbewater. De
draaiende stoommachine is een schouwspel op zich. Via grote ramen kijk je in
de machinekamer, dus alles is te volgen. De signalen worden met een telegraaf
gegeven. Als de bel een paar maal rinkelt, draait de machinist de ventielen
open en komt de enorme grotendeels groen geverfde (staande) tweecylinder op gang. Dat gaat verbazingwekkend makkelijk en langzaam. Geen grote explosies maar een rustig
gesis begeleidt de omwentelingen. De krukas ligt boven en buiten de rest van
de machine en drijft de raderen direct aan. Er zitten allerlei fraaie
smeersysteempjes her en der op de machine. Uit bakjes met olie wordt door
langskomende onderdelen een paar druppels meegenomen. Onder de machine zitten
dan ook veel lekbakken, die de overvloed aan olie weer opvangen. Als de
telegraaf nog eens rinkelt doet de machinist er nog
een paar klapjes bij. Ook dan heb je niet de indruk dat er
“vol gas” gevaren wordt, maar dat is schijn. De zeer grote raderen
zijn van het type “patent”. De bladen, die de voortstuwing verzorgen, zijn
verstelbaar en worden automatisch zó gericht dat ze rechtstandig – en daarmee
zo efficiënt mogelijk- water verplaatsen. Intussen verraden de voortdurende
schepgeluiden achter de ketel, dat dit de enige machine is, die nog met kolen
gestookt wordt. De andere acht raderboten zijn oliegestookt. Ondertussen
zijn we los van de oever en naderen al de eerste te passeren brug. Daarvoor
moet de hoge schoorsteen omlaag. Dat doet een scheepsjongen op afstand met
een takeltje. We varen stroomop met als einddoel de
Stadt Wehlen. Het Elbedal is prachtig. Even ten oosten van Dresden liggen
een paar fraaie kastelen hoog op de oever, sommigen met wijngaarden. We
passeren ook het Blaue Wunder, een grijsblauw geschilderde zeer oude
geklonken brug bij Dresden/Blasewitz. Deze bleef in
de oorlog als enige onbeschadigd. De waterstanden in de Elbe zijn op het
moment van onze trip zeer laag, en het schip vaart dan ook niet op volle
snelheid. Er staat een lid van de bemanning op de boeg en zwaait met
regelmaat een ouderwets lood overboord om de diepte te controleren. Een paar
dagen later is die zo gezakt, dat alle diensten met de raderboten worden
gestaakt. Verder oostelijk worden de oevers steiler en hoger, daar begint het
Elbe zandsteen. Fraaie rotsformaties passeren we dan ook. Omdat er buiten
veel te zien is, kom je niet snel in het interieur van de boot. Maar ook dat
is de moeite waard. De inrichting is zoveel mogelijk in de oorspronkelijke
staat gehouden, veel fraai hout en koper. De inwendige mens wordt overigens
niet vergeten, de verzorging is typisch Duits, en tegen alleszins redelijke
prijzen. Uiteindelijk
komen we met anderhalf uur vertraging op ons einddoel aan. Daar maken we nog
een stevige wandeling in het steile zandsteengebied, brengen daarna de inmiddels redelijk knorrende maag weer tot rust (of aan
het werk?) in een gelegenheid aan de Elbeoever, en
sporen later in de avond terug naar “huis”, ons tentje in Dresden/Mockritz. Han den
Ouden
|