Vada Varia, 5, 2003
Regen op de plas.
Na het allerlaatste zuchtje
wind bleven we roerloos liggen in het midden van de plas. De laatste rimpeltjes
op het water vervlakten en de spiegel waarin we lagen werd volmaakt. Er was
geen verschil meer tussen de bomen en hun spiegelbeeld in het water en de lucht
scheen zich zowel boven als beneden ons eindeloos uit te strekken. Een
onwerkelijke geheimzinnigheid versterkte de stilte.
Toen begon het te regenen. Eerst
een paar druppeltjes die ver van elkaar verwijderde
cirkeltjes trokken op het water. Naarmate de regen toenam
kwamen die cirkeltjes dichter bij elkaar en gingen de rimpeltjes ervan in
elkaar lopen. Iedere druppel die viel veroorzaakte een opstijgend
druppeltje uit het water dat met een zacht tinkelend geluid weer viel en
verdween. Het bleef volmaakt windstil, de zeilen hingen bewegingsloos boven de
boot. Nu het flink regende liepen de kringen die door de druppels werden
veroorzaakt steeds verder in elkaar en vlak boven het oppervlak leek een wit
scherm te hangen van de opspattende druppels.

Plotseling begonnen de golfjes die
door de regendruppels werden veroorzaakt te interfereren
en lagen we op een ritmisch trillend wateroppervlak. Geboeid bleef ik kijken
tot een vlaagje het zeil deed bewegen en een rimpeling op het water het
vibreren van het oppervlak te niet deed. Het regenen werd minder en hield tenslotte op. Met vastgezette schoten en roer dweilde ik
even de doften en vlonders. Een zacht briesje bracht ons terug op de rivier en
later in de jachthaven, waar de zeilen alweer droog waren en probleemloos in de
zeilzakken gestouwd konden worden. Het hoeft niet altijd zonnig te zijn om mooi
te kunnen varen.