Vada Varia, 5, 2003
Wat gij
niet wilt dat …
Het is maandag 17 november. Regen in
de vroege ochtend. Niet koud. Ideaal weer voor de geplande actie. M’n boot gaat
op het droge. Geen problemen. Iedereen doet zijn best. Goed werk van Gijs en fijne hulp van Michiel.
Ik hoef zowat niks te doen. Alleen kijken. “Leiding geven”
noem ik dat gemakshalve. Alles, ook dat, volgens planning. Aan het eind van de
ochtend staat Tilman trots en hoog te drogen in het inmiddels doorgekomen zonnetje. Op z’n
winterplaatsje. Dicht bij het veelbesproken hek bij de ingang.
Peter Burghouts
Ik heb dan
al druk opgeschept over de goede staat van het onderschip. Twee keer ’n periode
van twee seizoenen met ’n winter ertussen in het water. In totaal dus vier
zomerseizoenen en twee winters zonder nieuwe antifouling.
Twee jaar geleden geen nieuwe laag omdat het spul dat ik gebruikte inmiddels verboden was en er nog geen gemakkelijk en goed
alternatief was. En nu toch zonder aangroei van betekenis op het onderschip.
Alleen net onder de waterlijn was er wat. In ’n minuut of twintig was alles al
schoongespoten. Hulde aan die VC-17m. Misschien wel terecht dat het spul
verboden is. Maar ja, ook jammer.
Dinsdag 18
november. Werken in de haven. Onder andere de ‘Paardenstal’ opgeruimd. Ook eigen
voordeel, zo blijkt. Want ’n stuk van ’n goed uitziend trapje dat onder de
troep tevoorschijn kwam mag ik van Herman zolang voor m’n eigen boot gebruiken.
Ongeveer 2,60 meter lang. Ik haal er de voetlijst van de boot net niet mee, is
dus wat kort. Maar ik kan er mooi mee op m’n boot komen. Wel voorzichtig; het
trapje is erg licht.
Woensdag 19
november. Even van Rhenen naar Wageningen
gefietst. Op bezoek bij “mijn vriendin”, ’n leuke verstandige Wageningse dame van 89 die in Rustenburg woont. Ik ken haar
van vroeger. Van veertig jaar geleden, uit mijn studententijd hier in Wageningen. De laatste jaren kregen we weer meer contact.
Ik ben haar gaan helpen. Eerst met belastingen, formulieren
invullen etc. Later met steeds meer. Vooral leuke gesprekken met vaak
opvallend grote diepgang. Over het leven. Maar ook over de dood. Daar ziet ze
nu, in een fase waarin alleen haar hersenen nog goed functioneren, naar uit.
Ondanks dat weet ze met haar meningen en verhalen steeds weer een sfeer te
creëren waardoor ik het verzorgingshuis blijmoedig verlaat. Ook nu.
Op de
terugweg even langs de boot. Verdorie. Het trapje ligt niet onder de boot waar
ik het gisteren heb neergelegd. Zo’n ding op slot
leggen terwijl het niet eens van mezelf is? Dat kan toch niet?
Zaterdag 22
november. Zoonlief komt volgens plan met z’n vriendin
vanuit Enschede naar Rhenen en Wageningen.
Met hem heb ik naast het min of meer vanzelfsprekende
familiedeel uit de grote relatiekoek ook nog een flinke taartpunt van het
“samen bootjes schuren”. Bij zijn geboorte verwarde hij de navelstreng al bijna
met de fokkenschoot en sindsdien is ook de liefde voor het laatste niet
overgegaan. Hij had het eens in zijn hoofd moeten halen…
’N boot
heb je niet zomaar. Met ’n boot, ’n echte mooie boot, ga je ’n relatie aan. Met
zowat alles wat daarbij hoort. Het ongewenst betreden door anderen heeft wat verkrachterigs; het opscheppen óver die boot een
maatschappelijk geaccepteerde en onschuldig gevonden vorm van exhibitionisme;
in die vorm door kinderen erg gewaardeerd.
Pas om ’n
uur of half twaalf, na de koffie in Rhenen, zijn Alef en ik ter plaatse. We lopen onder om de boot heen,
kloppen op de huid en strijken er liefdevol langs. Onbegrepen gebaren bij niet-bootje-bezitters. Die vragen zich af waarom je dood materiaal
waarvan een boot is gebouwd zo betast en streelt. Kortzichtig, gevoelloos
onbegrip natuurlijk; het is geen dood materiaal. Een boot is iets levends.
Dat blijkt
ook. Want we horen geluiden. Alsof ze van binnen komen. Kan toch niet? We lopen
naar de andere kant. Is Ben op zijn boot, naast de onze, aan het klussen? Nee.
Het komt echt van Tilman. Vreemd. OK,
in een mooi schip zit leven. Maar toch. Als ie
stilletjes op het droge staat, moet dat eigenlijk “leven” in overdrachtelijke
zin zijn. Niet een auditieve, ‘n in decibellen meetbare vorm van leven.
We zien dat
het trapje in de kuip ligt. Vreemd. Ook dat trapje leeft dus. Zelf naar boven
geklommen? Was ie woensdag, toen ik ‘m beneden niet
zag, al tot kuiphoogte gestegen?
Alef
oefent al ’n jaar of zes niet meer op de klimmuur en door zijn drukke baan, te
veel beroepsmatige etentjes, te weinig beweging en allerlei andere vormen van
eigentijdse carrièrebijverschijnselen en overvloedcultuur zit ie toch ‘n ietsje ruimer in de broekmaten en ponden dan toen
ie nog actief klom. Maar nu zwaait ‘ie met opvallend
gemak en wilskrachtige blik omhoog, klimt op het gangboord en scharrelt de kuip
in. Hij trekt de luikjes uit de ingang en schuift het hoofdluik open. Ik zie
zijn mond bewegen. Kennelijk praat ‘ie. Ik kan het
beneden niet horen.
Ik sta
verstijfd. Geen twijfel mogelijk. Hij staat in de kajuitingang te praten met
iemand. Hij kijkt me met doffe blik aan en laat het trapje zakken. Ik zet het
naast de boot en klim het lichte onzeker zwiepende ding op. Heel voorzichtig
over de zeereling de kuip in.
Een angstig
kijkende man binnen, bezig mijn dure zelfademende zeilbroek uit te trekken. Het
is rommelig daar; vuile kopjes, glazen, een halfvolle pan met tomatensmurrie, waxineglaasjes met peuken,
alcohollucht, lege sherryflessen, opengemaakte en half leeggegeten blikken die
waren overgebleven van onze zeevoorraad van afgelopen jaar, lege whiskyflessen
– mijn troostvoorraad, afgelopen maandag waren ze nog grotendeels gevuld – ’n
blauwe plastic fles EDAH-spiritus…
Op
hopeloze, bijna huilerige toon: “Ja. Ik weet dat dit niet kan. Maar… nu, deze
tijd… deze verschrikkelijke weken … als het weer goed is …”
Van Alef – ik kom net boven, hij is al wat
langer met de man aan het praten – komen rustige maar ook vermanende en
aangedane woorden, passend bij dit soort ontmoetingen. De gedachtewolkjes met doodskopjes,
gebroken botten en gruwelijke verbrandingen die aanvankelijk, toen het
onzedelijk betreden van mijn Tilman voor het eerst
duidelijk werd, aan mijn brein ontstegen, verwazen in
de blauwe vochtige herfstlucht en lossen volledig op. Terwijl het nog even kil
en vochtig is als daarstraks.
De man is
er slecht aan toe. Hij is veel banger van ons dan wij van hem. Geen greintje
agressiviteit. Niet uit op stelen of vernieling. Hij heeft kennelijk wel de
infrastructuur van de boot onderzocht en doorgrond. Hij heeft de
hoofdschakelaar gevonden om de accu’s aan te sluiten, de schakelaars voor licht
etc., de petroleumlamp gevuld en aangestoken, de twee gaskraantjes weten te
vinden en open te draaien om te kunnen koken. Hij heeft ook de nog redelijk
gevulde provisiekast ontdekt en gebruikt wat ie nodig
had. Zo ook de pannen, de borden, het bestek. En de bekers. Er zijn er drie
gebruikt. Voor iedere dag van zijn logeerpartij een schone?
Het
gesprek, nou ja gesprek, in ieder geval niet alléén maar verbaal
eenrichtingsverkeer, komt logischerwijs ook ’n keer in een fase waarbij gezegd
wordt dat er bij dit soort problemen hulp gezocht moet worden bij instanties en
niet zomaar ‘een woning met inhoud’ mag worden gekraakt. Hij knikt met
betraande en ellende uitstralende ogen. Snapt het, weet dat. Maar hij weet
natuurlijk vooral ook waarom dat allemaal níét lukt. Wanhoop op zijn gezicht.
Hij excuseert zich in zijn hulploosheid, wilde geen schade voor anderen, wil
het vergoeden als hij … Hij meent het in ieder geval
op dát moment.. En wij hopen, vragen ons af of hij zich dat stráks, als de
alcohol is uitgewerkt, nog herinnert.
Tragisch.
Verstandig? Onverstandig? Het doet mij deugd dat Alef
rustig is, geen zinloze zedepreken houdt, zijn
boosheid kennelijk ook heeft overwonnen, adequaat reageert op dit brok menselijke ellende; verontwaardiging over de
insluiping maar pratend; geen verwerping van de persoon. De man noemt zijn
naam, Alef zegt ‘m dat iedereen zich wel zo kan
noemen en voelt zich meteen vervelend als de man daarna gelaten z’n rugzakje pakt en met trillende vingers en betraande ogen
uiteindelijk een paspoort met inderdaad dezelfde naam opdiept en toont.
Volledige ontwapening in Tilman. Hij heeft geen vaste
verblijfplaats. Wel e-mailadres. We schrijven het op.
Hij zal ons voor een eventuele schadevergoeding schriftelijk benaderen met
bootnaam en havenadres, een belofte waarvan we beseffen dat die zeer
waarschijnlijk niets waard is. Angstig verlaat ie de
boot. Ons achterlatend in verwarring, flessen mét en zónder statiegeld, troep,
afwas en naast boosheid ook een naar gevoel. Wat een tragiek. “Ach Vader, drink
niet meer…” als klein sentimentvol cultureel aandenken aan een brok sociale problematiek
van ’n eeuw geleden. Dat probleem hebben we nu bij lange na niet weten op te
lossen. Repressie tegen die vorm van verslaving vonden we niet nodig. Ingebed
in onze cultuur. Zou het wel lukken tegen “moderner” drugs?
In “Ten
Anker” was het rustig vóór wij er waren. Maar we hebben wat te vertellen.
Koffie. Met Lia, Koos, Fred,
Rienk en Joop de zaak doorgesproken. Mooi verhaal,
triest verhaal. Was het goed wat we gedaan hebben? Hadden we het anders moeten
aanpakken? Ze willen wel geloven dat de man in zijn ellende alle lust tot
hardere aanpak deed wegebben. Maar toch!
Marjon, Alefs vriendin, komt ook even hierheen. Om wat te eten. Lia maakt wat lekkers. Intussen aan de bar flarden van de
eeuwenoude discussie over zin en onzin van straf. Over de afweging van het
belang van de man en dat van de haven of de samenleving, over zachte
heelmeesters etc. En over het feit dat er voor onze logé misschien wel een
verschil is tussen het belang op korte en op de lange termijn. Hoewel de kans
dat hij het leest niet groot is zal ik ‘m volgende
week toch ’n mailtje sturen en ‘m,
zo is het plan op dat moment, meedelen dat ik ’n aangifteformulier invul.
Misschien wel even wacht met ondertekening en inleveren.
Terug naar
de boot. Om de dingen te doen die we eigenlijk wilden doen vandaag; winterklaar
maken. Het schiet niet op. Het is ook zo’n troep in de
boot. We maken een paar grote zakken met het afval dat onze gast heeft
achtergelaten. Lege drankflessen, lege en halfvolle blikken van ons
tochtenvoer, peuken, papiertjes, aangebroken pakjes
crackers, drop … Zo zien we eens wat we allemaal nog in voorraad hadden. We
gooien het bekertje weg dat – nog grotendeels gevuld – binnen stond. Het ziet
eruit als cola. Zit er misschien óók in. Maar het ruikt te duidelijk naar spiritus
om te kunnen denken dat er alleen een goedkoop alcoholhoudend drankje bij zit.
Vandaar de Edah-fles op de kaartentafel. Dat ook nog.
Alcoholisme in dat stadium?
Dan het
werk waarvoor we kwamen; het water uit de motor aftappen, de troep uit de bilge halen en in een
jerrycannetje doen … Het wordt later. We hebben niet zo’n
zin. Ik ga de boot af. Het trapje was gammel. Dat realiseer ik me weer als het
onder me wegglijdt en de zwaartekracht haar normale werk doet. Ik grijp met
mijn rechterhand de voetlijst van de boot en voel m’n arm langer worden na de
schok van het strekken. Hij wordt even héél erg lang. Ik val keurig tussen de
mogelijk erg vervelende metalen uitsteeksels en balkjes van de bok en het
trapje op het zeil. Met een doffe klap. Ben, die naast onze boot zijn kiel aan
het schilderen was meende gekraak van botten te horen. Hij heeft het fout.
Niets aan de hand. Alleen mijn rechterarm moet langzaam van ’n meter of twee en
een half weer terugkrimpen naar normale afmetingen. Ben raapt me op. Het blok
hout van spoorbielsachtige afmetingen en hardheid heeft misschien wel schade.
Want daar viel ik op. Met mijn rechterbil precies op het einde van dat
hardhout. Ik voel het nog in mijn bil steken als ik opsta. Denk dat het er nog
aan hangt. Kan niet want de bok met 5 ton boot staat er op. Hopen maar dat Gijs het niet gezien heeft. Die wil zijn hout natuurlijk
ongeschonden terug. Zonder inslagkrater van mijn bil.
Als Leida die avond lekker met me mee onder de douche moet
omdat mijn rechterarm door het proces van weer-op-normale-lengte-komen
niet zo goed wil – eindelijk eens solidair met m’n linkerarm – proest ze van
het lachen bij het aanschouwen van het moois. Wie kent niet de proef met de
prisma’s en wit licht? Of de regenboog, een weliswaar monumentaal
maar wat fletser weergave van die schitterende proef met het kleurenspectrum.
Maar mijn bil wint. Daar is meer. Eindeloos meer. Geel het meest. Maar de
andere kleuren zijn er ook allemaal. In ongekende felheid.
“Grrr, hi hi
hi, … grrr, hi hi … prachtig, grappig … dáár.
Nee, niet sexy”, vindt Leida.
Wat ben ik
toch zielig.
