Vada Varia, nr. 5 2004

 

 

Gebrom

 

Al enige tijd duiken er in ons geliefde clubblad verhalen op van een zekere G.B. Rom. Clubgenoten spreken mij er tot mijn verwondering en niet geringe verbazing op aan waarom ik onder pseudoniem ben gaan schrijven en zoeken achter mijn rug om tegelijkertijd vergeefs de ledenlijst af naar deze mysterieuze, getalenteerde schrijver in een poging om hun eigen twijfel weg te nemen en mij ‘en passant’ te kunnen ontmaskeren.

 


Toon Hoefsloot


 

Bij elk verschijnen van ons rood/witte communicatieorgaan weer, wordt ik steevast langdurig fysiek door ploegjes randgroepkayakkers aan de tand gevoeld. In een gesloten kordon komen zij om mij heen staan teneinde mij het ontsnappen uit hun obscure dwingelandij onmogelijk te maken. Quasi vriendschappelijk sjorren, trekken, duwen, de aandacht vestigen op inmiddels hoogrode konen ten teken van leugenarij, zij laten geen martelende mogelijkheid onbenut om het ‘niet weten’ uit mijn strot te dwingen.

 

Deze overmacht nu, werd mij in een vlaag van machteloosheid teveel. Daarom heb ik in de laatste recente overweldiging besloten toe te geven aan de hardnekkig aanhoudende pogingen van dit stel potige sportlieden om iets ongewilds uit mij te persen. Het is hierom, dat ik G.B. Rom mijn oprechte verontschuldigingen aanbiedt voor het feit, dat ik aan deze kayakvandalen heb toegegeven de schrijver van zijn fijnzinnige verhalen te zijn.

Dat luchtte mij aanvankelijk nog al op. Ik oogstte weer glimlach bij mijn verschijnen op de club, ik kon me weer ongestoord omkleden, mijn boot vaarklaar maken en zonder kans op handtastelijke incidenten -mogelijk omslaan tot gevolg hebbende- een tochtje in clubverband varen, waarbij mij zelfs in de pauzes de clubfles wisky weer werd aangereikt.

 

Na mijn aanvankelijke vreugde over het bovenstaande komt mijn geweten nu echter in opstand en zie ik maar één oplossing: de zaak openbaar maken. Aan het bestuur wil ik mededelen, dat ik t.a.v. mijn even hardnekkige als hardhandige clubgenoten, die zich zo schandelijk vriendschappelijk misdroegen geen haatdragende pogingen wil ondernemen om hen geschorst te krijgen omdat ikzelf ook – zij het noodgedwongen - heb laten gebeuren. Nee, het moge duidelijk zijn, dat ik in wezen zeer verheugd ben over het feit, dat de verhalen van G.B. Rom er kennelijk toe bijdragen, dat ons verenigingsorgaan in steeds bredere kring wordt gelezen en gewaardeerd en dus een kloppend hart en middelpunt mag zijn in onze gevierde gevierendeelde vereniging.

 

Ik wil er bij G.B. Rom met stelligheid op aandringen deze zaak vooral te laten rusten, vrolijk door te gaan met publiceren zodat aan niets merkbaar is, dat er een mysterie zou zijn opgelost. Mysteries namelijk, zijn een bron van inspiratie voor smullende lezers, zo weet ik uit de tijdschriftenwereld. Aan P. Burghouts wil ik vragen G.B. Rom vooral onzichtbaar te vermelden op de ledenlijst zodat de vraag: wie is wie? zorgvuldig in stand kan worden gehouden, met als doel dat naar alle waarschijnlijkheid steeds meer Vada leden hun neus in ons rood/witte Vada-periodiek zullen steken.

 

Tot slot spreek ik de hoop en de verwachting uit, dat onze publicaties het nodige gegons en gebrom binnen het ledenbestand mogen blijven oproepen, want aan een stelletje uitgevaren sufkonten heeft geen enkele watersportvereniging behoefte.

Dit stukje is uiteraard geschreven door mijzelf met een glimlach naar G.B. Rom.

 

Toon Hoefsloot.