Vada Roeien

Veiligheid

 

 

Materiaal & Veiligheid

 

Presentatie van de materiaalcommissaris op de veiligheidsbijeenkomst

5 april 2007

 

Veilig roeien houdt uiteraard een verantwoord gebruik van materiaal in. Hierbij gaat het zowel om preventieve veiligheid als om het juiste gebruik van roeimateriaal en van hulpmiddelen in het geval van calamiteiten. Aan deze aspecten dient tijdens opleiding en instructie voldoende aandacht te worden besteed. Wat betreft de preventieve veiligheid zijn er een aantal minimale eisen van de KNRB waaraan roeimateriaal (boten en riemen) moet voldoen. Verder doet de bond wat betreft het gebruik van materiaal een aantal suggesties ter verhoging van de veiligheid.


Ruud Jordens


 

Samenvatting preventieve materiaaleisen.

 

Boten:

In zijn algemeenheid gaat men uit van een goede constructie van de boten die bijdraagt aan het verkleinen van het risico van omslaan of vollopen: zoals voldoende hoog vrijboord, drijflichamen in open boten (C boten en wherry’s) en afdekking van voor- en achterschip.

 

Witte bal:

Alle vaartuigen moeten voorzien zijn van een witte bal van tenminste 4 cm vervaardigd van massief rubber of soortgelijk materiaal die de punt van de voorsteven afdoende omvat.

 

Voetenbord:
De
vaartuigen dienen uitgerust te zijn met een voetenbord of schoenen van een zodanige constructie, dat de roeiers onmiddellijk los kunnen komen van de boot zonder hun handen te gebruiken. De Commissie Veiligheid stelt als aanbeveling een maximale lengte van 8 cm van de hielbanden van roeischoenen.

 

Als flex-voetenborden gebruikt worden moeten deze een gesloten hiel hebben, zodat een roeier er bij eventueel omslaan onmiddellijk uit kan komen.

Gebruik van gymschoenen met hakken in roeiboten zijn zeer af te raden, omdat men daarmee moeilijker los komt bij eventueel omslaan, veiliger is het bootschoenen, dikke- of  klompsokken te gebruiken. Zorg dat de voeten altijd vrij los zitten. Doe de riempjes nooit te strak, men moet er vrij gemakkelijk uit kunnen als het fout gaat.

 

Stuurplaats:

De opening van de stuurplaats moet tenminste 70 cm lang zijn en over een lengte van tenminste 50 cm even breed (hoe breed?) zijn als de boot. Het binnenoppervlak moet glad zijn en geen enkele belemmerende constructie bevatten die de stuurplaats verkleind. Zorg dat men niet verward zit in het stuurtouw.

Riemen:

De kanten van alle riembladen moeten over hun gehele omtrek een minimale dikte hebben: voor boordriemen 5 mm; voor scullriemen 3mm.

 

Drijfvermogen.

Bij varen op groot water zoals plassen, meren, grote rivieren dienen boten voorzien te zijn van afdekkingen op voor- en achterschip en een pompinstallatie. Eveneens zijn verhoogde boorden aan te raden of dienen de boten zodanig te zijn afgedekt dat er zo min mogelijk golven binnen kunnen lopen.
Bij tochten en ruw water dienen boten voorzien te zijn van hoosvat/spons, pikhaak, lange (sleep) lijn, meertouwen. Voor elk bemanningslid moet een zwemvest aanwezig zijn in de boot.

 

Overig materiaal:

Voor langere,meerdaagse tochten verdient het aanbeveling extra riemen en een reserve rolbankje mee te nemen. Aan te raden zijn ook: een kompas en waterkaarten en een fluit of toeter. Het voeren van een grote vlag maakt boten op afstand zichtbaar.

 

Kleding

Vooral in de winter is goede kleding voor roeiers en stuurlieden van groot belang om warm te blijven. Het is beter een paar lagen dunne kleding te dragen bijv. een T-shirt en een trui dan één dikke. Stuurlieden moeten warm en droog blijven, vooral hoofd, handen en voeten. Draag geen zware en omvangrijke kleding. In de wintermaanden moeten stuurlieden tijdens trainingen en wedstrijden een zwemvest dragen.

 

Begeleidingsboot:

Bij ruw weer en in de winter is een begeleidingsboot aan te bevelen om snel ter plekke te kunnen zijn in geval van calamiteiten.

 

Ligging van de boten in de opslag.

 

  • Boten moeten in principe niet zo hoog opgestapeld liggen dat “gevaarlijke” trapconstructies nodig zijn.

  • Er moet voldoende verticale afstand tussen de boten onderling zijn om te voorkomen dat men met de ene boot de ander beschadigt.

  • Indien mogelijk moeten de stellingen uitschuifbaar zijn, wat veiliger is voor de boten en de mensen.

  • Dopjes op de uiteinden van de dolpennen voorkomen krassen op boten.

 

Tilinstructies

 

  • Een gladde vier of een acht dient met evenveel mensen getild worden als erin roeien, met de stuur om de commando’s te geven en de achterpunt (de punt die de roeiers niet kunnen zien) te begeleiden.

 

  • Bij het tillen van laag liggende boten moet goed gelet worden op het tillen met een symmetrische opstelling van de tilkrachten en het tillen met rechte rug vanuit de benen.

 

  • Als het mogelijk is moet een boot snel “in de handen” gedragen worden zodat de draagsituatie voor alle tilkrachten overzichtelijk is. Alle situaties met boten op linker- danwel rechter-schouder zijn meer riskant.

 

Lopen met boten/riemen naar en van een steiger of vlot.

 

  • Bij het lopen met een boot in de handen moeten de tilkrachten goed verdeeld te zijn over de boot, dus links en rechts evenveel tilkrachten, goed in de lengte verdeeld over de boot en iedereen even hoog tillend.

  • Lopen met de boot laag in de handen verdient de voorkeur boven het lopen met de boot boven de hoofden of op één schouder.

  • In de regel loopt de stuur aan het (achter-)eind van de boot waar hij het meeste overzicht heeft.

  • De meeste C-vieren en C-tweeën (= die met kielstrip) kunnen loodrecht op de oever in het water geschoven worden over de vlotrand,.

 

  • Het zijwaarts inzetten van brede boten zoals C-boten dient vermeden te worden, in het belang van de boten en van de ruggen van de mensen.

 

  • Riemen dienen met het blad naar voren (zichtbaar), in elke hand een riem, naar het vlot gedragen te worden en neergelegd te worden met de bolle kant naar beneden om zodoende beschadiging van de blad punt te voorkomen.

  • Men dient zich vooraf te vergewissen dat vlot, steiger, trappen, etc. niet wegens ongunstige weersomstandigheden gevaarlijk glad zijn

 

Instappen en uitstappen.

 

  • Het is verstandig dat een roeier tegelijk met één hand wal en walrigger vast houdt en met de andere hand de overliggende dolklep sluit.

 

  • Bij meerpersoons boten is het veiliger om per boord of per helft van de bemanning in te stappen dan  “instappen gelijk” te doen. Dit zorgt voor minder kans op omslaan aan het vlot en een  levert een betere verdeling van de torsiekrachten voor de boot op. Voor het uit de boot stappen geldt hetzelfde.

 

  • De boten moeten tijdens het in-/uitstappen voldoende los van vlot/steiger gehouden worden om schade aan de boten te voorkomen en er voor te zorgen dat ze niet te schuin komen te liggen.

 

  • Het is niet nodig en slecht voor het materiaal als boten omslaan aan het vlot omdat de overslagen open waren. Aandachtspunten om dit te voorkomen: Riem(en) helemaal uitgeschoven houden (met de kraag tegen de dol) bij het in- en uitstappen, kan de stuur eventueel de boot vasthouden (aan de rigger), maar ook zonder stuurman in- en uitstappen moet zo beheerst gebeuren dat de boot stabiel blijft liggen. Discipline en concentratie zijn cruciaal.         

 

Veilig roeien.

 

Gebleken is dat veel ongelukken veroorzaakt worden door onzorgvuldigheid, zoals geen goede voorbereiding, onderschatting van situaties, overmoedigheid en vooral onoplettendheid. Dit is te beperken door goede informatie en instructie want als een roeier voldoende kennis en ervaring heeft is hij of zij beter in staat mogelijke risico situaties te onderkennen en tijdig maatregelen te nemen. Het is van belang dat alle roeiers op de hoogte zijn van de regels (Vadamecum) van de vereniging.

 

Algemene veiligheids adviezen van de roeibond:

 

  • Iedereen die in een boot plaatsneemt, moet kunnen zwemmen. Indien men niet kan zwemmen of bij twijfel dient men een zwemvest te dragen.

 

  • Alle boegroeiers van stuurmansloze boten en stuurlieden dienen over een goed gezichtsvermogen te beschikken.

 

  • Alle roeiers/stuurlieden/instructeurs/coaches dienen de weersverwachtingen te kennen en na te gaan of er uitgevaren kan worden.

 

Specifieke VADA regels zijn o.a.:

 

Er mag niet geroeid worden:

  • bij dichte mist (zicht minder dan 200 meter);
  • bij vorst;
  • bij windkracht 6 of hoger, te herkennen aan witte schuimkoppen;
  • een half uur na zonsondergang tot een half uur voor zonsopgang.

 

Op de Rijn mag niet geroeid worden:

  • door jeugdige roeiers (tot 16 jaar), tenzij onder begeleiding van een volwassene;
  • in de periode van 1 november tot 1 april in een skif zonder begeleiding (onder begeleiding wordt verstaan een andere roeiboot, waarbij beide roeiboten bij elkaar dienen te blijven, en/of een gemotoriseerde volgboot);
  • bij hoogwater (kribben staan onder water)

 

Met name in de winterperiode bestaat het gevaar dat in geval van het omslaan van de boot de roeiers zeer snel onderkoeld kunnen raken. Het bestuur adviseert de roeiers dan ook ten stelligste om in de winter tijdens het roeien een (opblaasbaar) zwemvest te dragen. De verantwoordelijkheid voor het dragen van een zwemvest ligt geheel bij de roeier zelf.

 

Stuurlieden:

  • in de periode van 1 november tot 1 april hebben stuurlieden de verplichting om bij het varen op de Rijn een zwemvest te dragen;
  • voor het sturen van roeiboten op de Rijn dienen zij een specifieke bevoegdheid te bezitten

 

Tenslotte:

  • Er mag slechts geroeid worden in die boten waarvoor men namens de “proevencommissie” gekwalificeerd is.
  • Zonder succesvol afgelegde roeiproeven mag men alleen van de oefenboten gebruik maken onder leiding van een instructeur.
  • Alvorens uit te varen dient men de boot en de onderdelen te controleren.
  • Stuurlieden dienen adequaat te zijn opgeleid en gekwalificeerd voor het betreffende boottype. Stuurlieden controleren voor elk vertrek het roer, de roerbevestiging en de stuurtouwen.